Uit een analyse van de APHINITY-studie blijkt dat zowel de manuele, digitale als de op kunstmatige intelligentie gebaseerde kwantificering van tumorinfiltrerende lymfocyten prognostische en predictieve waarde heeft bij patiënten met HER2-positieve vroeg-stadium-borstkanker die werden behandeld met adjuvante therapie. Deze resultaten werden tijdens de SABCS 2025 gepresenteerd door dr. Roberto Salgado (Melbourne, Australië).
Bij HER2-positieve borstkanker in een vroeg stadium zijn stromale tumorinfiltrerende lymfocyten (sTIL's) prognostisch en predictief voor HER2-gerichte therapie.1 Het handmatig scoren van sTIL’s is zeer reproduceerbaar, maar kan de immuuninfiltratie onderschatten.
In de huidige studie werden de handmatige, digitale en op AI gebaseerde sTIL-kwantificatiemethoden vergeleken aan de hand van resultaten van de gerandomiseerde fase 3-APHINITY-studie. In APHINITY werd de uitkomst onderzocht van adjuvante behandeling met chemotherapie plus trastuzumab in combinatie met pertuzumab of placebo bij patiënten met HER2-positieve vroeg-stadium-borstkanker en was de invasieve-ziektevrije overleving (iDFS) de primaire uitkomstmaat.
Overeenstemming
Van 4.306 deelnemers aan de APHINITY-studie waren er bruikbare archiefbeelden van histochemische kleuringen van complete weefselcoupes.2 “Uit een analyse van 262 casussen bleek dat de reproduceerbaarheid tussen vijf ervaren pathologen uitstekend was, met een interklasse-correlatiecoëfficiënt (ICC) van 0,84 (95% BI 0,79-0,88). De overeenstemming tussen de handmatige, digitale en op AI gebaseerde sTIL-kwantificatiemethoden was echter slecht tot matig, met een ICC van 0,48 voor manueel versus digitaal, van 0,37 voor manueel versus AI en van 0,62 voor digitaal versus AI. Bij deze drie vergelijkingen was de algehele overeenstemming bij een grenswaarde van het 75e percentiel (hoge versus lage TIL-score) respectievelijk 82,7, 81,7 en 83,1%”, vertelde Roberto Salgado.
Prognostische waarde
Verder bleek dat de sTIL-score, onafhankelijk van de scoringsmethode, significante prognostische waarde had ten aanzien van de iDFS. Salgado: “De combinatie van manuele, digitale of op AI gebaseerde scoringsmethode en een op AI gebaseerde kwantificering van de immuunhotspots verbeterde de prognostische waarde significant.” Na zestig maanden was bijvoorbeeld de adjuvante behandeling met chemotherapie, trastuzumab en pertuzumab geassocieerd met een iDFS van 97,2% bij patiënten met een hoge manuele sTIL-score plus een hoge hotspotscore en van 89,6% bij patiënten met een lage manuele sTIL-score plus een lage hotspotscore (p<0,001). In de placeboarm werden vergelijkbare resultaten gevonden.
Predictieve waarde
Onafhankelijk van de scoringsmethode was de sTIL-score ook predictief ten aanzien van de iDFS. Zo was na manuele kwantificering van de sTIL’s pertuzumab versus placebo geassocieerd met een HR voor de iDFS van 0,84 bij patiënten met een sTIL-score lager of gelijk aan het 75e percentiel en van 0,36 bij patiënten met een sTIL-score hoger dan het 75e percentiel (p=0,003 voor interactie). Vergelijkbare resultaten werden gevonden na digitale en op AI gebaseerde kwantificering. “Een hoge sTIL-score is dus predictief voor de respons op de adjuvante behandeling met chemotherapie, trastuzumab en pertuzumab”, concludeerde Salgado.
Referenties
1. Schlam I, et al. ESMO Open 2025;10:104120.
2. Salgado R, et al. SABCS 2025; abstr GS1-05.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Vivianne Tjan-Heijnen, medisch oncoloog, Maastricht UMC+, en prof. dr. Sabine Linn, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Wat waren tijdens de SABCS belangrijke studies naar behandelopties voor HER2-positieve borstkanker? Allereerst de HER2CLIMB-05-studie.1 In deze studie is onderzocht of de onderhoudsbehandeling na vier tot acht kuren taxaan met trastuzumab en pertuzumab verbeterd kon worden. Patiënten met niet eerder behandelde, HER2-positieve, gemetastaseerde borstkanker werden gerandomiseerd naar een onderhoudsbehandeling met trastuzumab en pertuzumab plus placebo of plus tucatinib. Ongeveer de helft van de tumoren was hormoonreceptor (HR)-positief. De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS). In de controlegroep bedroeg de mediane PFS 16 maanden, tegenover 25 maanden in de groep die tucatinib ontving; een indrukwekkend verschil van negen maanden (HR 0,64). Bij patiënten met een HR-negatieve tumor was de PFS-winst zelfs ongeveer twaalf maanden in het voordeel van tucatinib (HR 0,55), terwijl deze winst bij patiënten met een HR-positieve tumor bijna zeven maanden bedroeg (HR 0,72). De resultaten wat betreft de algehele overleving (OS) waren nog immatuur, maar er werden 33 OS-events gerapporteerd in de controlegroep versus 18 in de tucatinibgroep. Dat is veelbelovend en wijst op een mogelijk OS-voordeel van tucatinib. Al met al lijkt tucatinib een interessante toevoeging in de onderhoudsfase, met name voor patiënten met een HR-negatieve tumor. Deze studie benadrukt bovendien dat we binnen de groep HER2-positieve tumoren verder moeten differentiëren tussen HR-positieve en HR-negatieve ziekte.
In zowel de neoadjuvante als adjuvante setting bij HER2-positieve tumoren werden er studies gepresenteerd met trastuzumab deruxtecan (T-DXd). Bij het inzetten van T-DXd zijn voor beide settings kanttekeningen te plaatsen. Zo worden in de adjuvante setting meer kuren T-DXd gegeven, wat gepaard gaat met een hoger risico op pneumonitis. In de neoadjuvante setting worden weliswaar minder kuren gegeven, maar zouden alle patiënten behandeld moeten worden met T-DXd, wat betekent dat het om een grotere patiëntengroep gaat. In de DESTINY-Breast05-studie werd T-DXd onderzocht versus trastuzumab emtansine (T-DM1) in de adjuvante setting.2 Bij patiënten die eerder platinabevattende chemotherapie hadden gehad, liet deze studie na drie jaar een absolute verbetering van de invasieve-ziektevrije overleving (iDFS) zien van 5% in het voordeel van T-DXd. Bij patiënten die eerder met antracyclines behandeld waren, was de absolute toename in driejaars-iDFS zelfs 10%. Dit zijn hoopvolle bevindingen, al moeten de OS-resultaten nog afgewacht worden. Het ligt voor de hand dat T-DXd de komende jaren een plek zal krijgen bij vroeg-stadiumborstkanker. Daarmee nemen de keuzemogelijkheden in deze setting toe en wordt het steeds belangrijker om goed te bepalen welk middel wanneer ingezet moet worden en welke patiënten daadwerkelijk T-DXd nodig hebben.
Een mogelijke manier om patiënten verder te differentiëren is op basis van tumorinfiltrerende lymfocyten (TIL’s). In een analyse binnen de APHINITY-studie is onderzocht of bepaling van het aantal TIL’s in het operatiepreparaat kan helpen bij het identificeren van patiënten die baat hebben bij pertuzumab, en of dit aantal TIL’s iets zegt over de prognose.3 In deze studie, die al geruime tijd geleden is opgezet, werden meer dan 4.000 patiënten na chirurgie gerandomiseerd tussen chemotherapie en trastuzumab met of zonder pertuzumab. De initiële resultaten waren destijds wat teleurstellend, waardoor pertuzumab in Nederland alleen beschikbaar kwam in de neoadjuvante setting.4 In de huidige analyse werden handmatige, digitale en AI-gebaseerde methoden voor TIL-kwantificatie met elkaar vergeleken.3 De eerste vraag was hoe goed de concordantie tussen deze methoden was. Die bleek goed wanneer een afkapwaarde van 60% TIL’s werd gehanteerd. Vervolgens werd gekeken of een TIL-score van ≥60% prognostisch gunstig was, wat voor alle drie de methoden inderdaad het geval bleek. Patiënten met een hoge TIL-score én de aanwezigheid van zogenoemde immune hotspots hadden de beste prognose: na vijf jaar was de adjuvante behandeling met chemotherapie, trastuzumab en pertuzumab bij hen geassocieerd met een iDFS van 97,2%. Daarnaast bleek dat de groep met een hoge TIL-score baat had bij de toevoeging van pertuzumab. Ook deze analyse laat zien dat we steeds vaker moeten nadenken over de vraag: wie heeft wat nodig? Moeten we pertuzumab bij iedere patiënt inzetten? Dat maakt congressen zoals de SABCS zo waardevol. Ze leiden niet altijd tot directe veranderingen in de klinische praktijk, maar dragen wel bij aan een steeds beter begrip van de ziekte. Wat we nu al wél kunnen doen, is onze pathologen vragen om standaard TIL’s te bepalen. Deze kunnen een belangrijke rol spelen bij het afwegen of een patiënt mild of juist intensiever behandeld moet worden.
Referenties
1. Hamilton E, et al. SABCS 2025; abstr GS1-01.
2. Loibl S, et al. SABCS 2025; abstr RF6-01.
3. Salgado R, et al. SABCS 2025; abstr GS1-05.
4. Von Minckwitz G, et al. N Engl J Med 2017;377:122-31.
In een podcast bespreken prof. dr. Vivianne Tjan-Heijnen en prof. dr. Sabine Linn naast bovenstaande studies ook de DETECT V-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts