Het toevoegen van carboplatine aan adjuvante chemotherapie met epirubicine, cyclofosfamide en paclitaxel geeft een significante verbetering van de overlevingsuitkomsten bij patiënten met hoog-risico, vroeg-stadium triple-negatieve borstkanker. Dit komt met name door het verminderen van het risico op een vroeg recidief, zo blijkt uit de resultaten van de CITRINE-studie. Yin Liu (Shanghai, China) presenteerde deze resultaten tijdens de SABCS 2025.
Het is onduidelijk of het toevoegen van carboplatine aan adjuvante antracycline- en taxaanbevattende chemotherapie nut heeft bij patiënten met triple-negatieve borstkanker (TNBC). In de gerandomiseerde, open-label fase 3-CITRINE-studie zijn de werkzaamheid en veiligheid van een adjuvante behandeling met epirubicine en cyclofosfamide, gevolgd door wekelijks paclitaxel met of zonder carboplatine onderzocht bij patiënten met hoog-risico, vroeg-stadium-TNBC. In totaal werden 808 patiënten met operabel hoog-risico-TNBC na definitieve chirurgie 1:1 gerandomiseerd naar het chemotherapieregime met of zonder carboplatine. De primaire uitkomstmaat was de ziektevrije overleving (DFS). Secundaire uitkomstmaten waren de recidiefvrije overleving (RFS), afstandsziektevrije overleving (D-DFS), algehele overleving (OS) en veiligheid.1
Toenemende onzekerheid
De mediane leeftijd van de geïncludeerde patiënten was 47 jaar, 45,4% van de patiënten had een primaire tumor kleiner dan 2 cm en 63,4% had negatieve lymfeklieren, liet Yin Liu zien. “Volgens protocol zou de analyse uitgevoerd moeten worden na 144 events of nadat de laatst geïncludeerde patiënt drie jaar gevolgd was”, zei hij. Dit laatste was het eerst het geval, op dat moment waren er 104 events opgetreden.
Na een mediane follow-up van 44,7 maanden was 92,3% van de patiënten in de carboplatinegroep en 85,8% van de patiënten in de controlegroep ziektevrij na drie jaar (HR 0,64; 95% BI 0,43-0,95; p=0,03). “We hebben geanalyseerd of de HR verschilde in de tijd en zagen dat deze 0,31 was in de periode van 0 tot 12 maanden, 0,65 in de periode van 12 tot 36 maanden en 1,98 in de periode na 36 maanden.” Deze toenemende onzekerheid na drie jaar komt waarschijnlijk door het kleine aantal events, verklaarde Liu. “Dus we zullen de patiënten blijven volgen om na te gaan of het toevoegen van carboplatine niet alleen het risico op vroege recidieven kan verminderen, maar ook het risico op late recidieven.”
Consistent behandeleffect
Het toevoegen van carboplatine was ook geassocieerd met een verbeterde driejaars-RFS (93,8% in de carboplatinegroep versus 88,3% in de controlegroep; HR 0,59; 95% BI 0,37-0,93; p=0,21), evenals een verbeterde driejaars-D-DFS (94,8 versus 89,8%; HR 0,61; 95% BI 0,37-0,98; p=0,39) en een verbeterde driejaars-OS (98,0 versus 94,0%; HR 0,41; 95% BI 0,20-0,83; p=0,011). Het behandeleffect was consistent in de verschillende onderzochte subgroepen.
Bijwerkingen van graad 3 of 4 kwamen voor bij 66,7% van de patiënten in de carboplatinegroep en 55,0% in de controlegroep. De meest voorkomende waren hematologisch van aard, met name neutropenie.
Liu concludeerde dat het toevoegen van carboplatine aan adjuvante chemotherapie de uitkomsten van patiënten met hoog-risico, vroeg-stadium-TNBC kan verbeteren, met name door een lager risico op het optreden van vroege recidieven. “Deze resultaten van de CITRINE-studie worden in de week van 22 december gepubliceerd in the British Medical Journal.”2
Referenties
1. Liu Y, et al. SABCS 2025; abstr RF2-04.
2. Liu Y, et al. BMJ 2025:391:e085457.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Agnes Jager, internist-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam, en prof. dr. Sabine Linn, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Op het gebied van triple-negatieve borstkanker (TNBC) werden veel interessante studies gepresenteerd tijdens de SABCS, maar geen ervan leidde tot directe veranderingen in de dagelijkse praktijk. In een boeiende studie werden prognostische biomarkers bij restziekte onderzocht, zoals de proliferatiemarker Ki67 en tumorinfiltrerende lymfocyten (TIL’s).1 Dit betrof een gepoolde analyse van negen neoadjuvante GBG/AGO-B-studies bij TNBC, met in totaal meer dan 3.000 patiënten. Hierbij werd specifiek gekeken naar de groep zonder pathologisch complete respons (pCR) na neoadjuvante chemotherapie (NAC). Dit is in de regel een ongunstig prognostisch teken, maar hier zitten ook patiënten bij die een prima uitkomst hebben. De vraag is alleen of we deze patiënten kunnen identificeren. Van in totaal 640 patiënten zonder pCR was materiaal beschikbaar voor het bepalen van Ki67 en TIL’s. De meesten van hen hadden een cT2-tumor bij diagnose, ongeveer een derde was klierpositief (cN+) en bijna al deze patiënten hadden een Ki67 >15%. Bijna de helft van de patiënten had een TIL-score <10%. De resultaten toonden dat onder de patiënten met een ypT1, ypN0, Ki67 <15% en een TIL-score ≥50%, na vijf jaar nog 97% van de patiënten in leven was. Uit deze studie blijkt dat bij TNBC de TIL-score en de Ki67 ná NAC mogelijk een belangrijke rol spelen, op basis waarvan in de toekomst de behandeling bij minimale restziekte (geen pCR) mogelijk gede-escaleerd kan worden.
Daarnaast was er tijdens de SABCS veel aandacht voor de toegevoegde waarde van carboplatine. Er werd een gepoolde analyse van drie grote gerandomiseerde studies (BrighTNess, CALGB 40603 en GeparSixto) gepresenteerd waarin standaard NAC met of zonder carboplatine onderzocht is.2 Alleen de BrighTNess rapporteerde eerder een positief resultaat. In de gepoolde analyse is gekeken of het toevoegen van carboplatine leidt tot meer pCR’s of betere overlevingsuitkomsten. Het percentage patiënten met een pCR was 40% in de groep die standaard chemotherapie kreeg en 55% in de groep die ook carboplatine kreeg. Interessant was dat er bij patiënten met wildtype BRCA-genen een pCR-voordeel gezien werd met carboplatine, maar niet bij patiënten met een BRCA-mutatie. Bij zowel patiënten met als patiënten zonder BRCA-mutatie werd een voordeel in eventvrije overleving (EFS) na vijf jaar gerapporteerd. De onderzoekers zagen echter geen voordeel in algehele overleving (OS) met de toevoeging van carboplatine in de groep met een wildtype BRCA-status. We weten dat er bij de patiënten met een BRCA-mutatie vaak sprake is van homologe-recombinatiedeficiëntie (HRD) en carboplatine een middel is dat bij uitstek dat type tumorcellen kan elimineren. In de groep patiënten met een wildtype BRCA-status is er vaak een mix van patiënten met en zonder HRD; mogelijk is dit een verklaring voor het gevonden verschil.
In de CITRINE-studie is de meerwaarde van het toevoegen van carboplatine in de adjuvante setting onderzocht bij ruim 800 vrouwen met hoog-risico-, vroeg-stadium-TNBC.3 Zij ontvingen een adjuvante behandeling met epirubicine en cyclofosfamide, gevolgd door paclitaxel met of zonder carboplatine. De primaire uitkomstmaat was de ziektevrije overleving (DFS). Na een mediane follow-up van 44,7 maanden was de driejaars-DFS 86% in de groep die geen carboplatine kreeg en 92% in de groep die wel carboplatine kreeg (HR 0,64). Dat was een significant verschil. De driejaars-OS was ook significant verschillend: 94% zonder carboplatine en 98% met (HR 0,41). Interessant was dat de N0-patiënten alleen konden deelnemen aan de studie als er sprake was van een Ki67 ≥50%. Dat zou kunnen duiden op HRD. Het is dus mogelijk dat deze groep van N0-patiënten was verrijkt voor HRD, wat het gevonden verschil tussen deze adjuvante studie en de gepoolde neoadjuvante studie voor een deel kan verklaren.
Referenties
1. Holtschmidt J, et al. SABCS 2025; abstr RF2-01.
2. Felsheim BM, et al. SABCS 2025; abstr RF2-02.
3. Liu Y, et al. SABCS 2025; abstr RF2-04.
In een podcast bespreken prof. dr. Agnes Jager en prof. dr. Sabine Linn naast bovenstaande studies ook een prospectieve substudie van de NSABP B-59/GBG-96-GeparDouze, waarin gekeken is naar de impact van immunotherapie op de fertiliteit van jonge vrouwen met TNBC, en de SOLTI-RADIOLA naar een functionele RAD51-test. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts