Bij patiënten met HER2-positieve, vroege borstkanker was vroege klaring van circulerend tumor-DNA tijdens neoadjuvante therapie significant geassocieerd met het bereiken van een pathologisch complete respons en voorspellend voor een betere invasieve-ziektevrije overleving. Dat blijkt uit een translationele analyse van de PHERGain-studie, die dr. Antonio Llombart-Cussac (Valencia, Spanje) presenteerde tijdens de SABCS 2025.
In de gerandomiseerde fase 2-PHERGain-studie werd onderzocht of chemotherapie kan worden weggelaten uit de eerstelijnsbehandeling van patiënten met HER2-positieve, vroege borstkanker. De standaardbehandeling met chemotherapie plus trastuzumab en pertuzumab (HP) werd vergeleken met alleen HP. Patiënten in de HP-groep bij wie op PET-scans geen respons zichtbaar was, of die geen pathologisch complete respons (pCR) bereikten, werden alsnog behandeld met chemotherapie + HP. Met deze strategie kon bij 37,9% van de patiënten chemotherapie worden weggelaten, met een invasieve-ziektevrije overleving (iDFS) van 94,8%.1
“Circulerend tumor-DNA (ctDNA) zou de voorspelling van pCR en langetermijnuitkomsten kunnen verbeteren”, zei Antonio Llombart-Cussac. Tijdens de SABCS 2025 presenteerde hij de resultaten van de analyse van ctDNA van de PHERGain-studie.2
ctDNA in PHERGAIN-studie
De aanwezigheid van ctDNA in bloed werd gemeten met behulp van de Guardant Reveal-assay, die differentiële methylering van >20.000 DNA-gebieden analyseert. Bloedmonsters waren afgenomen bij patiënten uit beide armen van de studie op baseline, op dag 1 van de derde neoadjuvante cyclus en voorafgaand aan de operatie (pre-chirurgie). De afgenomen bloedmonsters waren niet altijd van voldoende kwaliteit of volume, maar 81% kon succesvol worden geanalyseerd (n=243-288).
Vroege klaring
In totaal was 71% van alle baselinemonsters positief voor ctDNA. Het percentage patiënten met een positieve ctDNA-status was significant gecorreleerd met het ziektestadium (33% positief bij stadium I, 71% bij stadium II en 93% bij stadium III) en de klierstatus (55% positief bij N0, 88% positief bij N1). Maar patiënten die op baseline ctDNA-negatief waren, bereikten ongeveer even vaak een pCR als patiënten die ctDNA-positief waren (38% versus 42%; p=0,583).
Na twee cycli neoadjuvante therapie was nog maar 18% van de patiënten ctDNA-positief, een relatieve reductie van 76%. “ctDNA-klaring na twee cycli was sterk gecorreleerd met PET-respons (p<0,001) en pCR (p=0,003)”, meldde Llombart-Cussac. Van de patiënten die ctDNA-klaring vertoonden had 90,5% een PET-respons en bereikte 48,4% een pCR, ten opzichte van respectievelijk 56,1% en 22,0% van de patiënten die nog ctDNA-positief waren.
Late klaring
Pre-chirurgie was nog maar 12% van de patiënten ctDNA-positief, een relatieve reductie van 83% ten opzichte van baseline. “Geen van deze patiënten bereikte een pCR”, merkte Llombart-Cussac op. Daarentegen bereikte 49,2% van de patiënten die voorafgaand aan de chirurgie ctDNA-klaring vertoonden, een pCR (p<0,001).
De driejaars-iDFS was significant lager bij patiënten die op baseline ctDNA-positief waren (92,5% versus 100% bij negatieve ctDNA-status; HR 4,1; p=0,046). De ctDNA-status na twee behandelcycli was niet significant gecorreleerd met de driejaars-iDFS, maar er was wel een positieve trend (HR 3,2; p=0,072). “Patiënten die ctDNA-positief bleven pre-chirurgie hadden een aanzienlijk slechtere iDFS”, aldus Llombart-Cussac. De driejaars-iDFS was 85,4% versus 97,6% voor ctDNA-negatieve patiënten (HR 5,1; p=0,014).
“De bepaling van ctDNA met gebruik van Guardant Reveal biedt veelbelovende mogelijkheden voor de verfijning van de stadiëring en het nemen van behandelbeslissingen”, concludeerde Llombart-Cussac.
Referenties
1. Pérez-García JM, et al. Lancet 2024;403:1649-59.
2. Llombart-Cussac A, et al. SABCS 2025: abstr GS1-06.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist