De resultaten van een gepoolde analyse van de BrighTNess-, CALGB 40603- en GeparSixto-studie laten zien dat de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie geassocieerd is met een significant betere pathologisch complete respons en eventvrije overleving bij patiënten met triple-negatieve borstkanker in een vroeg stadium. De toevoeging van carboplatine was niet geassocieerd met een betere algehele overleving, bleek tijdens de SABCS 2025 uit de presentatie van Brooke Felsheim (Chapel Hill, Verenigde Staten).
Op basis van de resultaten van de KEYNOTE-522-studie werd neoadjuvante behandeling met pembrolizumab in combinatie met carboplatine-bevattende chemotherapie de standaard bij patiënten met stadium II- of III-triple-negatieve borstkanker (TNBC).1 Wegens de aanzienlijke toxiciteit blijft er echter behoefte bestaan aan een betere definitie van de meerwaarde van carboplatine als onderdeel van de neoadjuvante chemotherapie bij patiënten met vroeg-stadium-TNBC.
Om hierin meer duidelijkheid te krijgen, werd een gepoolde analyse uitgevoerd van drie gerandomiseerde studies: BrighTNess, CALGB 40603 en GeparSixto. Daarbij werd onderzocht wat de impact is van de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie op de pathologisch complete respons (pCR), de eventvrije overleving (EFS) en de algehele overleving (OS). Daarnaast werd de prognostische en predictieve waarde van diverse biomarkers en genexpressieprofielen onderzocht.
Betere pCR
In totaal werden de resultaten van 1.084 deelnemers van BrighTNess, CALGB 40603 en GeparSixto geanalyseerd.2 Daaruit bleek dat de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie geassocieerd was met een significant betere pCR. Uit de gepoolde analyse bleek dat het percentage patiënten met een pCR 55,00% was na neoadjuvante behandeling mét carboplatine en 38,9% zonder carboplatine. “Ook in een uni- en multivariate analyse was de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie geassocieerd met een significant betere pCR (univariaat: OR 1,92; 95% BI 1,50-2,47; p<0,001; multivariaat: OR 1,89; 95% BI 1,41-2,55; p<0,001)”, aldus Brooke Felsheim. Een vergelijkbaar significant pCR-voordeel van carboplatine werd gevonden bij patiënten met een wildtype BRCA-status in hun kiembaan, maar niet bij patiënten met kiembaanmutaties in BRCA1 en/of BRCA2.
Betere EFS, maar niet OS
Na vijf jaar was de EFS 77% met carboplatine en 69% zonder carboplatine. Ook ten aanzien van de EFS lieten de resultaten van een uni- en multivariate analyse zien dat de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie geassocieerd was met een significant betere uitkomst (univariaat: HR 0,70; 95% BI 0,55-0,89; p=0,003; multivariaat: HR 0,71; 95% BI 0,54-0,93; p=0,014). Dit EFS-voordeel van de toevoeging van carboplatine werd gezien bij zowel patiënten met als zonder BRCA-kiembaanmutaties. In geen enkele analyse werd een significant OS-voordeel gezien van de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie.
“Vier van acht geëvalueerde genexpressieprofielen waren geassocieerd met een betere pCR, EFS en OS, te weten: een CD8+-T-celprofiel, een immuunglobuline G-profiel, het Immune 1 TCGA Breast-profiel en de expressie van CD274. Geen van de genexpressieprofielen had echter predictieve waarde ten aanzien van een pCR-, EFS- of OS-voordeel van de toevoeging van carboplatine aan neoadjuvante chemotherapie”, vertelde Felsheim.
Referenties
1. Schmid P, et al. N Engl J Med 2024;391:1981-91.
2. Felsheim BM, et al. SABCS 2025; abstr RF2-02.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Agnes Jager, internist-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam, en prof. dr. Sabine Linn, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Op het gebied van triple-negatieve borstkanker (TNBC) werden veel interessante studies gepresenteerd tijdens de SABCS, maar geen ervan leidde tot directe veranderingen in de dagelijkse praktijk. In een boeiende studie werden prognostische biomarkers bij restziekte onderzocht, zoals de proliferatiemarker Ki67 en tumorinfiltrerende lymfocyten (TIL’s).1 Dit betrof een gepoolde analyse van negen neoadjuvante GBG/AGO-B-studies bij TNBC, met in totaal meer dan 3.000 patiënten. Hierbij werd specifiek gekeken naar de groep zonder pathologisch complete respons (pCR) na neoadjuvante chemotherapie (NAC). Dit is in de regel een ongunstig prognostisch teken, maar hier zitten ook patiënten bij die een prima uitkomst hebben. De vraag is alleen of we deze patiënten kunnen identificeren. Van in totaal 640 patiënten zonder pCR was materiaal beschikbaar voor het bepalen van Ki67 en TIL’s. De meesten van hen hadden een cT2-tumor bij diagnose, ongeveer een derde was klierpositief (cN+) en bijna al deze patiënten hadden een Ki67 >15%. Bijna de helft van de patiënten had een TIL-score <10%. De resultaten toonden dat onder de patiënten met een ypT1, ypN0, Ki67 <15% en een TIL-score ≥50%, na vijf jaar nog 97% van de patiënten in leven was. Uit deze studie blijkt dat bij TNBC de TIL-score en de Ki67 ná NAC mogelijk een belangrijke rol spelen, op basis waarvan in de toekomst de behandeling bij minimale restziekte (geen pCR) mogelijk gede-escaleerd kan worden.
Daarnaast was er tijdens de SABCS veel aandacht voor de toegevoegde waarde van carboplatine. Er werd een gepoolde analyse van drie grote gerandomiseerde studies (BrighTNess, CALGB 40603 en GeparSixto) gepresenteerd waarin standaard NAC met of zonder carboplatine onderzocht is.2 Alleen de BrighTNess rapporteerde eerder een positief resultaat. In de gepoolde analyse is gekeken of het toevoegen van carboplatine leidt tot meer pCR’s of betere overlevingsuitkomsten. Het percentage patiënten met een pCR was 40% in de groep die standaard chemotherapie kreeg en 55% in de groep die ook carboplatine kreeg. Interessant was dat er bij patiënten met wildtype BRCA-genen een pCR-voordeel gezien werd met carboplatine, maar niet bij patiënten met een BRCA-mutatie. Bij zowel patiënten met als patiënten zonder BRCA-mutatie werd een voordeel in eventvrije overleving (EFS) na vijf jaar gerapporteerd. De onderzoekers zagen echter geen voordeel in algehele overleving (OS) met de toevoeging van carboplatine in de groep met een wildtype BRCA-status. We weten dat er bij de patiënten met een BRCA-mutatie vaak sprake is van homologe-recombinatiedeficiëntie (HRD) en carboplatine een middel is dat bij uitstek dat type tumorcellen kan elimineren. In de groep patiënten met een wildtype BRCA-status is er vaak een mix van patiënten met en zonder HRD; mogelijk is dit een verklaring voor het gevonden verschil.
In de CITRINE-studie is de meerwaarde van het toevoegen van carboplatine in de adjuvante setting onderzocht bij ruim 800 vrouwen met hoog-risico-, vroeg-stadium-TNBC.3 Zij ontvingen een adjuvante behandeling met epirubicine en cyclofosfamide, gevolgd door paclitaxel met of zonder carboplatine. De primaire uitkomstmaat was de ziektevrije overleving (DFS). Na een mediane follow-up van 44,7 maanden was de driejaars-DFS 86% in de groep die geen carboplatine kreeg en 92% in de groep die wel carboplatine kreeg (HR 0,64). Dat was een significant verschil. De driejaars-OS was ook significant verschillend: 94% zonder carboplatine en 98% met (HR 0,41). Interessant was dat de N0-patiënten alleen konden deelnemen aan de studie als er sprake was van een Ki67 ≥50%. Dat zou kunnen duiden op HRD. Het is dus mogelijk dat deze groep van N0-patiënten was verrijkt voor HRD, wat het gevonden verschil tussen deze adjuvante studie en de gepoolde neoadjuvante studie voor een deel kan verklaren.
Referenties
1. Holtschmidt J, et al. SABCS 2025; abstr RF2-01.
2. Felsheim BM, et al. SABCS 2025; abstr RF2-02.
3. Liu Y, et al. SABCS 2025; abstr RF2-04.
In een podcast bespreken prof. dr. Agnes Jager en prof. dr. Sabine Linn naast bovenstaande studies ook een prospectieve substudie van de NSABP B-59/GBG-96-GeparDouze, waarin gekeken is naar de impact van immunotherapie op de fertiliteit van jonge vrouwen met TNBC, en de SOLTI-RADIOLA naar een functionele RAD51-test. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts