De primaire analyse van de ASCENT-07-studie laat geen significante verbetering van de progressievrije overleving zien met sacituzumab govitecan versus chemotherapie bij HR-positieve/HER2-negatieve, gemetastaseerde borstkanker. “We zagen wel een vroege trend naar een verbetering van de algehele overleving in het voordeel van sacituzumab govitecan”, zei dr. Komal Jhaveri (New York, Verenigde Staten) tijdens de SABCS 2025.
Sacituzumab govitecan (SG) is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat (ADC) gericht tegen TROP2 en is goedgekeurd voor de behandeling van patiënten met HR-positieve/HER2-negatieve, gemetastaseerde borstkanker na eerdere endocriene therapie en chemotherapie, zei Komal Jhaveri. In de open-label, gerandomiseerde fase 3-ASCENT-07-studie konden patiënten met niet-resectabele, lokaal gevorderde of gemetastaseerde borstkanker die wel behandeld waren met endocriene therapie maar nog geen chemotherapie gehad hadden, geïncludeerd worden. Jhaveri presenteerde de resultaten van de primaire analyse voor deze studie.1
mPFS van 8,3 maanden in beide groepen
In totaal werden 690 patiënten 2:1 gerandomiseerd naar SG (n=456) of chemotherapie naar keuze van de onderzoeker (n=234). De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS) bepaald door blinded independent central review (BICR). “In de ASCENT-07-studie werden de uitkomstmaten hiërarchisch getest”, zei Jhaveri. “Als de PFS bepaald door BICR significant verschilde tussen beide groepen, werden de algehele overleving (OS), het objectieve responspercentage (ORR) en de kwaliteit van leven formeel en sequentieel getest.”
Ten tijde van deze analyse was de mediane follow-up 15,4 maanden. De resultaten lieten geen significant betere PFS zien met SG versus chemotherapie. “De mediane PFS was 8,3 maanden in beide studiegroepen”, liet Jhaveri zien (HR 0,85; 95% BI 0,69-1,05; p=0,130). De PFS bepaald door de onderzoeker liet een numerieke verbetering zien van 6,4 maanden met chemotherapie naar 8,4 maanden met SG (HR 0,78; 95% BI 0,64-0,93; nominale p-waarde: 0,008).
Vroege trend
De resultaten van de OS waren beschrijvend. “We zagen hierbij een vroege trend naar een betere OS met SG”, zei Jhaveri (HR 0,72; 95% BI 0,54-0,97; nominale p-waarde 0,029). “De data waren echter nog maar voor 27% matuur. Dit vroege numerieke voordeel is wel interessant, omdat 61% van de patiënten in de chemotherapiegroep een ADC ontving na het staken van de behandeling.” De ORR was vergelijkbaar tussen beide studiegroepen (37% met SG versus 33% met chemotherapie). De mediane duur van de respons was 12,1 maanden met SG versus 9,3 maanden met chemotherapie.
De gerapporteerde bijwerkingen met SG kwamen overeen met het bekende veiligheidsprofiel van dit middel, aldus Jhaveri. Behandelingsgerelateerde bijwerkingen van graad 3 of hoger kwamen voor bij 68% van de patiënten in de SG-groep en bij 37% in de chemotherapiegroep. “Als we vervolgens neutropenie uitsluiten van deze analyse, kwamen de percentages redelijk overeen tussen beide groepen (36% met SG en 28% met chemotherapie).” De meest voorkomende treatment-emergent adverse events waren met zowel SG als chemotherapie neutropenie, leukopenie en anemie.
Jhaveri concludeerde dat de ASCENT-07-studie de primaire uitkomstmaat niet behaald heeft. “SG blijft de standaardbehandeling voor patiënten met HR+/HER2- borstkanker na eerdere endocriene therapie en na chemotherapie, gebaseerd op de TROPiCS-02-studie.”2
Referenties
1. Jhaveri K, et al. SABCS 2025; abstr GS1-09.
2. Rugo H, et al. Lancet 2023;402:1423-33.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Vivianne Tjan-Heijnen, internist-oncoloog, Maastricht UMC+, en prof. dr. Agnes Jager, internist-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam
Tijdens de SABCS werd een flink aantal studies gepresenteerd rond behandelopties na CDK4/6-remmers bij HR-positieve, HER2-negatieve (HR+/HER2-) borstkanker. Zo is in de EMBER-3-studie gekeken naar de meerwaarde van de orale selectieve oestrogeenreceptor-degrader (SERD) imlunestrant bij patiënten met HR+/HER2-, gevorderde borstkanker.1 Zij werden gerandomiseerd naar imlunestrant-monotherapie, standaardbehandeling met fulvestrant of exemestaan, of imlunestrant in combinatie met abemaciclib. 65% van de geïncludeerde patiënten had progressie na een aromataseremmer en een CDK4/6-remmer. Tijdens de SABCS werd een update van de EMBER-3 gepresenteerd met een mediane follow-up van 28,5 maanden. Voor de groep patiënten met een ESR1-mutatie was de winst in progressievrije overleving (PFS) met imlunestrant versus standaardtherapie met 1,7 maanden beperkt te noemen (mediaan 5,5 versus 3,8 maanden; HR 0,62). Dit voldoet niet aan de PASKWIL-criteria. De resultaten betreffende de algehele overleving (OS), die voor de helft matuur waren, lieten daarentegen bij patiënten met een ESR1-mutatie een winst zien van 11 maanden in het voordeel van imlunestrant versus standaardtherapie (HR 0,6); een vergelijkbaar 40% relatief voordeel en met elf maanden overlevingswinst ook in absoluut opzicht de moeite waard. Interessant was ook dat de combinatie van imlunestrant plus abemaciclib goede resultaten gaf, met een mediane PFS van 10,9 maanden versus 5,5 maanden met de standaardbehandeling fulvestrant/exemestaan (HR 0,59). Deze resultaten voldoen aan de PASKWIL-criteria. Dit betrof zowel patiënten met als zonder een ESR1-mutatie.
Er werden meerdere studies gepresenteerd (evERA, ELEVATE, VIKTORIA-1, EPIK-B5) waarin (nieuwe orale) SERD’s werden gebruikt in combinatie met CDK4/6-remmers, everolimus, alpelisib, capivasertib of gedatolisib. Voor de toekomst zou dit kunnen resulteren in een situatie waarin we patiënten met sterk hormoontherapiegevoelige tumoren zonder ESR1-mutatie en een relatief lage ziektelast kunnen behandelen met fulvestrant-monotherapie, patiënten met meer ziektelast en een ESR1-mutatie behandelen met een van de nieuwe orale SERD’s en patiënten met agressieve ziekte na een CDK4/6-remmer de combinatie van een SERD met opnieuw een CDK4/6-remmer of met een PIK3CA/AKT1/mTOR-remmer geven. Hoe relatief lage ziektelast en agressieve ziekte gedefinieerd moeten worden, zal onderdeel zijn van onderzoek. Het is dan ook belangrijk om al deze patiënten te includeren in het binnenkort van start gaande Dutch Breast Cancer Cohort (DBCC), zodat vervolgonderzoek ons meer richting kan geven.
In de ASCENT-07-studie is sacituzumab govitecan (SG) vergeleken met standaard chemotherapie bij HR+/HER2-, gemetastaseerde borstkanker.2 SG bleek niet van meerwaarde te zijn. De mediane PFS was 8,3 maanden in beide studiegroepen. Dit gaat ons beleid voor eerstelijnschemotherapie na endocriene therapie dus voorlopig niet veranderen.
Vervolgens is in de lidERA-studie de orale SERD giredestrant in de adjuvante setting ingezet bij vroeg-stadium, HR+/HER2- borstkanker.3 De invasieve-ziektevrije overleving (iDFS), de primaire uitkomstmaat van de studie, was beter met giredestrant dan met klassieke endocriene therapie (HR 0,7). Bij de driejaars-iDFS-vrije overleving werd een absoluut verschil gezien van 2,7% in het voordeel van giredestrant. Dit is een kleine winst, na een mediane follow-up van slechts 32 maanden. Het is dus belangrijk na te gaan hoe dit er op lange termijn uit gaat zien.
Referenties
1. Jhaveri K, et al. SABCS 2025; abstr GS3-08.
2. Jhaveri K, et al. SABCS 2025; abstr GS1-09.
3. Bardia A, et al. SABCS 2025; abstr GS1-10.
In een podcast bespreken prof. dr. Vivianne Tjan-Heijnen en prof. dr. Agnes Jager naast bovenstaande studies bij HR+/HER2- borstkanker ook de Ambre-studie en de NSABP B-42-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts.