De aanwezigheid van tumorinfiltrerende lymfocyten is geassocieerd met een pathologisch complete respons bij HER2-positieve/ER-positieve, maar niet bij HER2-positieve/ER-negatieve borstkanker. Dit blijkt uit een analyse van de EA1181/CompassHER2 pCR-studie. Dr. Sunil Badve (Atlanta, Verenigde Staten) presenteerde deze resultaten tijdens de SABCS 2025.
In de CompassHER2 pCR-studie werden 2.175 patiënten met gevorderd, stadium II-IIIA, HER2-positieve borstkanker geïncludeerd. “Zij ontvingen vier cycli trastuzumab en pertuzumab met paclitaxel of docetaxel (THP), gevolgd door chirurgie”, lichtte Sunil Badve toe. De primaire uitkomstmaat was het percentage recidiefvrije overleving (RFS) na drie jaar. Secundaire uitkomstmaten waren het percentage pathologisch complete respons (pCR) en voorspellers van een pCR. De huidige analyse was gericht op de patiënten met een pCR na chirurgie en op tumorinfiltrerende lymfocyten (TIL’s) als mogelijke voorspeller.1 “Onze hypothese was dat TIL’s geassocieerd zijn met een hogere kans op het behalen van een pCR”, zei Badve. “In het statistische plan waren drempelwaarden van 10 en 60% voor de TIL’s opgenomen om patiënten in te kunnen delen in categorieën met weinig (<10%), intermediair (10-60%) en veel (>60%) TIL’s.”
Hogere kans op pCR
In totaal ontvingen 2.141 patiënten minimaal één cyclus THP. Van 1.328 van hen was informatie over TIL’s beschikbaar. Het mediane percentage TIL’s bij deze patiënten was 10%, waarbij 46,9% van hen weinig TIL’s had, 52,6% een intermediair aantal TIL’s en slechts 0,5% veel TIL’s. “Daarom is de drempelwaarde van >60% verder niet gebruikt voor onze analyses”, zei Badve.
In de totale populatie bleek de aanwezigheid van ≥10% TIL’s geassocieerd met een hogere kans op een pCR, liet hij zien. Het percentage patiënten met een pCR was 36,0% in de groep met <10% TIL’s en 52,1% in de groep met ≥10% TIL’s (p<0,001). Ditzelfde gold voor de HER2-positieve/ER-positieve patiënten, waarbij respectievelijk 27,0 en 40,0% van de patiënten een pCR had (p<0,001). “Bij de HER2-positieve/ER-negatieve patiënten was dit verschil niet significant. Hier had 59,6% van de patiënten in de groep met <10% TIL’s een pCR versus 66,2% in de groep met ≥10% TIL’s (p=0,17).
Multivariabele factor
Uit een analyse waarin gekeken is naar klinische factoren die voorspellend waren voor een pCR, waarbij TIL’s niet meegenomen waren als multivariabele factor, bleken ER-negativiteit, de afwezigheid van de progesteronreceptor, HER2-immunohistochemie (IHC) 3+ en een behandeling met paclitaxel significant voorspellend voor een pCR. “Als we vervolgens TIL’s als variabele toevoegen, blijven deze factoren significant voorspellend, en zijn ook de TIL’s (als binaire variabele) significant voorspellend voor een pCR (OR 1,52; p=0,002). In een multivariabele analyse waarbij de pCR geëvalueerd is naar ER-status bleek dat ≥10% TIL’s significant geassocieerd was met een pCR bij ER-positieve patiënten (OR 1,68; p=0,003). “Bij ER-negatieve patiënten bleek de aanwezigheid van TIL’s niet significant geassocieerd met het halen van een pCR”, zei Badve (OR 1,22; p=0,353).
Hij concludeerde dat de aanwezigheid van TIL’s, met een drempelwaarde van 10%, geassocieerd is met een hogere kans op een pCR bij patiënten met HER2-positieve/ER-positieve borstkanker, maar niet bij patiënten met HER2-positieve/ER-negatieve borstkanker. “De aanwezigheid van TIL’s is tevens een onafhankelijke factor in een multivariabele analyse voor pCR bij HER2-positieve/ER-positieve, maar niet bij HER2-positieve/ER-negatieve borstkanker. “De associatie met de algehele overleving zal op een later moment nog gerapporteerd worden”, besloot hij.
Referentie
1. Badve S, et al. SABCS 2025; abstr GS1-04.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist