Op 22 mei a.s. houdt internist-oncoloog prof. dr. André Bergman aan de Universiteit van Amsterdam zijn oratie als bijzonder hoogleraar Klinisch en translationeel onderzoek van het prostaatcarcinoom namens het Antoni van Leeuwenhoek te Amsterdam. In de kwart eeuw dat hij inmiddels in de prostaatkankerwereld actief is, is de behandeling van (gemetastaseerd) prostaatkanker sterk verbeterd. Maar er zijn nog genoeg uitdagingen, stelt hij.
Het was niet dat hij destijds als jonge internist-oncoloog reikhalzend uitkeek om zijn carrière te gaan besteden aan prostaatkanker, vertelt André Bergman vanuit Suriname, waar hij een aantal maanden verblijft (zie verderop in dit artikel). “Begin deze eeuw had je als internist-oncoloog niet zo veel in de melk te brokkelen als het ging om de behandeling van prostaatkanker. Zoals bekend, kwam de internist-oncoloog bij deze tumorsoort pas in beeld als er sprake was van gemetastaseerde ziekte. De behandelopties daarvoor waren toen uiterst beperkt. Naast androgeendeprivatietherapie (ADT), de standaardbehandeling sinds de jaren veertig van de vorige eeuw, was er enkel het middel mitoxantron dat slechts een gunstig effect had op klachten, maar geen overlevingswinst gaf. Deze situatie betekende anderzijds dat er veel ruimte was om de zorg voor patiënten met gemetastaseerde prostaatkanker te verbeteren door onderzoek te doen. Bovendien was, en is, prostaatkanker de meest voorkomende vorm van kanker bij mannen. Het leek mij boeiend om me te gaan verdiepen in de manier waarop deze ziekte op moleculair gebied wordt gereguleerd.”
Terugblikkend constateert Bergman dat het een goede keuze was. Sinds ruim een jaar is hij hoogleraar binnen het vakgebied. “Het tij zat mee. Het aantal behandelopties is de afgelopen twee decennia fors toegenomen. Nadat was aangetoond dat de taxanen een overlevingswinst gaven, nam de ietwat defaitistische houding ten aanzien van gemetastaseerd prostaatkanker af en kwam het onderzoek in een stroomversnelling. Dit leidde tot de ontwikkeling van de middelen die aangrijpen op de androgeenreceptor en de achterliggende biochemische signaalroutes, zoals abirateron en enzalutamide, nu meestal ARPI’s genoemd. Deze ontwikkelingen resulteerden op hun beurt tot nieuw enthousiasme voor fundamenteel onderzoek naar androgeenreceptorregulatie en stimuleerden ook de participatie in klinisch onderzoek in de wereld.”
Innovatieve medicijnen nodig
Met onder andere als gevolg dat de driejaarsoverleving van gemetastaseerd prostaatkanker inmiddels is gestegen tot 58%, meldde IKNL afgelopen jaar.1 “Een nuance die je daarbij wel moet plaatsen is dat we gemetastaseerd prostaatkanker dankzij de PSMA-PET/CT-scan tegenwoordig vroeger opsporen. Hierdoor krijgt de patiënt eerder het label ‘gemetastaseerde ziekte’.” De cijfers bieden echter nog steeds volop ruimte voor verdere verbetering.
Bergman: “De echte vooruitgang moet, denk ik, nu toch komen van innovatieve medicijnen; middelen die op een geheel nieuwe manier aangrijpen op de tumorcel. We gebruiken nu, zoals gezegd, veelal taxanen, die de deling van de cel verstoren, en ARPI’s, die aangrijpen op de androgeenreceptorsignaleringsroute. Ik ben ervan overtuigd dat er nog mogelijkheden zijn om de celgroei te remmen op het niveau van de machinerie die achter de androgeenreceptorsignaleringsroute zit. We weten nog niet precies hoe deze route de deling van de cel regelt. Dit lijkt grotendeels te verlopen via complexe epigenetisch regulatie van DNA-transcriptie en niet via de klassieke route van het rechtstreeks stimuleren van de productie van een specifiek eiwit. Ik ga mij de komende jaren, samen met mijn collega’s uit het laboratorium en samen met internationale collega’s, verder inzetten om te kunnen bijdragen aan het onderzoek hiernaar, met name het translationele deel daarvan.”
ADT
Wat we niet uit het oog mogen verliezen bij de toename van het aantal behandelopties voor gemetastaseerd prostaatkanker is de invloed ervan op de kwaliteit van leven, stelt Bergman. “Bij het rapporteren van de uitkomsten van nieuwe vormen van therapie is de aandacht voor de kwaliteit van leven weliswaar toegenomen, maar het blijft een lastig punt. De uitkomsten van de PROM’s en PREM’s die in de studies zijn meegenomen komen meestal als een ‘nabrander’ in minder hoog aangeschreven vaktijdschriften. Er zijn echter nauwelijks studies met een placeboarm die een duidelijk idee geven over het effect van de behandeling als geheel op de kwaliteit van leven. Daarnaast blijft het lastig om voor de individuele patiënt in te schatten welke invloed een bepaalde behandeling gaat hebben op diens kwaliteit van leven. Met name over de ADT wordt in mijn ogen veelal te licht gedacht. ADT heeft veel opgeleverd, maar soms vraag ik me af of we hiermee niet de verkeerde weg zijn ingeslagen. Het is vaak een geleidelijk proces. De kwaliteit van leven neemt sluipend af door ADT. Na een paar jaar zit er echt een andere man tegenover je in de spreekkamer. Zowel lichamelijk als geestelijk. Terwijl die man bij aanvang van de therapie zei dat hij niet al te veel kwaliteit van leven wil inleveren.”
Nieuwe, hoog-effectieve medicijnen
“De behandeling heeft bovendien een grote impact op de kwaliteit van leven van diens partner. ‘Het is niet meer de man met wie ik getrouwd was’, hoor ik partners regelmatig zeggen. En dat is niet het gevolg van het ziekteproces, maar van de behandeling die wij voorschrijven. Ik zou daarom graag ooit afscheid kunnen nemen van de ADT. Het zou geweldig zijn als er nieuwe, hoog-effectieve middelen worden ontwikkeld met een veel gunstiger bijwerkingenprofiel dan ADT. Deze zouden dan bij voorkeur gegeven moeten worden in een vroeg stadium van gemetastaseerde ziekte en daarmee ADT uitstellen of overbodig maken. Een belangrijk deel van ons laboratoriumwerk is gericht op het identificeren van ‘gevoeligheden’ van prostaatkankercellen in verschillende stadia van de ziekte, waartegen nieuwe geneesmiddelen ontwikkeld kunnen worden.”
Fundamentele uitdagingen
Gevraagd naar zijn overige ambities als hoogleraar verwijst Bergman naar het streven naar meer regionale samenwerking. “Ik hoop vanuit mijn positie als hoogleraar met name een extra impuls te kunnen geven aan de samenwerking tussen het Antoni van Leeuwenhoek en de afdeling Oncologie van het Amsterdam UMC. Daarbij wil ik, onder andere door regelmatig bij elkaar in de keuken te kijken en samenwerkingen te initiëren, vooral het translationeel onderzoek tot een nog grotere hoogte brengen.
Een ander onderwerp dat mij na aan het hart ligt is het ondersteunen van de oncologie in landen waar het financieel en organisatorisch allemaal veel minder goed gaat dan in Nederland, de zogeheten lage- en middeninkomenslanden (LMIC’s). Deze interesse is ooit ontstaan tijdens werkzaamheden in een ziekenhuis in Malawi in Centraal-Afrika. Terwijl voor ons in de westerse wereld de stijgende kosten van de oncologische zorg een groeiend probleem vormen, heeft het overgrote deel van de wereld veel fundamentelere uitdagingen bij de oncologische zorg. Veelal ontbreekt een kankerregistratie en is er onvoldoende capaciteit van de pathologieafdelingen om diagnoses te stellen. Vanuit het Amsterdam UMC hebben wij met een aantal specialisten de ambitie om door middel van oncologisch onderzoek in LMIC’s vast te stellen waar de knelpunten en uitdagingen liggen en vervolgens de zorg te verbeteren.”
Suriname
“Zo ben ik momenteel in Suriname om te inventariseren waar onderzoeksmogelijkheden liggen. Uiteraard met een focus op prostaatcarcinoom, wat veel in Suriname voorkomt. Met de vele contacten die ik hier heb opgedaan zijn wij enkele plannen aan het uitwerken. Daarbij moet je natuurlijk wel rekening houden met wat er lokaal wel en niet mogelijk en/of beschikbaar is. Overigens vind ik het zelf ook heel leerzaam om te zien hoe hier oncologie wordt bedreven. Je bent gedwongen je ‘Nederlandse blik’ los te laten: je kunt hier niet altijd vasthouden aan de richtlijnen of medicijnen inzetten die je gewend bent te geven. Je wordt daardoor gedwongen na te denken over wat er echt nodig is voor goede zorg, en wat je kan loslaten. Hoe belangrijk is het bijvoorbeeld dat het gewicht van de patiënt maximaal vier dagen geleden is bepaald?”
Referentie
1. Uitgezaaide kanker 2025. Te raadplegen via iknl.nl/getmedia/0bb2f9fc-aa08-4693-8b54-0bb750e51bef/rapport-uitgezaaide-kanker-2025-definitief2.pdf
Dr. Marten Dooper, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2026 vol 17 nummer 1