Nucleair geneeskundige prof. dr. Daniela Oprea-Lager werd dit jaar benoemd tot hoogleraar Theranostiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Haar onderzoek richt zich op de combinatie van diagnostiek en therapie met radioactief gelabelde stoffen in de uro-oncologie, met name bij prostaatkanker. In deze patiëntengroep is nog veel winst te boeken met theranostiek, verwacht Oprea-Lager, bijvoorbeeld door het eerder inzetten van radioligandtherapie. Maar ook bij andere tumortypen is theranostiek beloftevol.
Daniela Oprea-Lager maakt de overstap naar Nijmegen na een vruchtbare periode van onderzoek aan Amsterdam UMC. Daar startte zij met een promotieonderzoek naar toepassing van choline-PET/CT bij prostaatcarcinoom en bleef vanwege haar passie voor research naar prostaatkanker met name in de uro-oncologie actief. Onder meer deed zij veel onderzoek naar de waarde van PET/CT-onderzoek naar prostaatspecifiek membraanantigeen (PSMA-PET/CT) bij prostaatcarcinoom.
Oprea-Lager: “In 2017 kreeg ik een eerste beurs van Cancer Center Amsterdam voor onderzoek naar PSMA-PET/CT en dat was het begin van een heel fijne periode van teamwerk naar de stadiëring en herstadiëring van prostaatkanker met PSMA-PET/CT. Daarnaast is in de afgelopen jaren de interesse voor therapieën gericht op PSMA aanmerkelijk toegenomen. Daarbij gebruiken we hetzelfde molecuul als voor de PSMA-PET/CT, maar koppelen we dit aan een alfa- of bètastraler zoals Lutetium-177 of Actinium-225 om kankercellen die PSMA-expressie tonen te behandelen.”
Een van de zaken die zij verder wil onderzoeken, is de waarde van theranostiek bij hormoonsensitief prostaatcarcinoom, een setting waarin PSMA-radioligandtherapie momenteel nog enkel in studieverband wordt toegepast. “In het Radboudumc krijg ik de kans om in multicenterverband onderzoek te doen naar theranostiek met PSMA. Niet alleen maar aan het einde van het traject, dus bij patiënten met castratieresistente prostaatkanker, maar ook eerder in het ziekteproces, bij patiënten die nog hormoonsensitief zijn. Dat vind ik erg interessant, mede vanwege de spectaculaire resultaten hiermee. Er lijkt veel te winnen bij die categorie patiënten. Daarbij staat het Radboudumc in Nederland en het buitenland bekend als een uitstekend prostaatkankercentrum waar vooruitstrevend (pre)klinisch onderzoek wordt gedaan.”
Eerder inzetten
Oprea-Lager verwacht dat het vroeger in het ziektetraject inzetten van radioligandtherapie de uitkomsten bij prostaatkankerpatiënten kan verbeteren. In Nederland worden momenteel alleen patiënten met castratieresistent prostaatcarcinoom behandeld met radioligandtherapie in de vorm van [177Lu]Lu-PSMA-617. Oprea-Lager: “In mijn optiek zetten we nu deze veelbelovende therapie helemaal aan het einde van de rit in. Want wij geven deze therapieën eigenlijk nadat patiënten alle vormen van hormoontherapie, chemotherapie en overige medicatie die in het palet van de oncologie bestaat, uitgeprobeerd is. Ik ben ervan overtuigd dat als je radioligandtherapie eerder in het traject inzet, op het moment dat de patiënt nog een goede beenmergreserve heeft en nog niet hormonaal behandeld is, er een groter voordeel te behalen is dan de therapie momenteel oplevert. Gemiddeld bereiken patiënten nu drie tot vier maanden overlevingswinst.”
Bovendien lijkt eerder behandelen met radioligandtherapie de toepassing van systemische behandelingen te kunnen uitstellen. Dit blijkt onder meer uit de BULLSEYE-studie, een vanuit Radboudumc door prof. dr. James Nagarajah en collega’s geleide studie naar [177Lu]Lu-PSMA-617 bij patiënten met hormoonsensitief, oligogemetastaseerd prostaatcarcinoom. De studie liet zien dat na een mediane follow-up van 27 maanden zowel de progressievrije overleving (HR 0,07) als de tijd tot PSA-progressie (HR 0,09) duidelijk in het voordeel was met de radioligandtherapie ten opzichte van standaardzorg.1
Oprea-Lager: ”Een deel van de patiënten met oligogemetastaseerd, hormoonsensitief prostaatkanker die met twee cycli [177Lu]Lu-PSMA-617 behandeld werden, had na deze radioligandtherapie geen tekenen van uitzaaiingen meer. En bij 16% van de patiënten waren er gedurende de follow-up geen uitzaaiingen en was er een goede PSA-respons. Daarbij moeten we niet vergeten dat hormoontherapie, die in het algemeen gestart wordt in deze setting, met veel bijwerkingen gepaard gaat. Uitstel van de start van hormoontherapie, met daardoor uitstel van de bijwerkingen hiervan, is voor de kwaliteit van leven van de patiënt een enorme boost.”
Maar voordat theranostiek in de hormoonsensitieve setting standaardpraktijk wordt, is nog meer onderzoek nodig. “Op dit moment gaat het nog om fase 2-studies en die worden in principe in richtlijnen niet meegenomen. Maar wanneer diverse studies erop wijzen dat radioligandtherapie ook in de setting van hormoonsensitieve prostaatkanker veelbelovend is, is dat wel een signaal. Samen met collega’s van de Europese richtlijncommissie voor prostaatkanker ben ik momenteel bezig met de revisie van de EAU-richtlijn. In september bespreken we samen alle relevante publicaties die een gamechanger voor de praktijk kunnen zijn. Ik verwacht dat dit najaar tijdens de diverse Europese oncologische congressen mogelijk nieuwe studieresultaten bekendgemaakt worden.”
Combinatiebehandeling
Verder verwacht Oprea-Lager dat er winst te behalen is door het verbeteren van de huidige behandelstrategieën. Zo vermoedt zij dat in veel gevallen nog wordt onderbehandeld. “We zijn best voorzichtig met de dosering die wij geven, met het oog op onder meer nier- en beenmergtoxiciteit. Maar misschien hebben we een hogere dosis nodig om de kankercellen kapot te maken met de straling. Helaas is de dosering met name gebaseerd op aannames en niet op dosimetriestudies. Dat willen we daarom verder onderzoeken, het liefst binnen een groot prospectief onderzoek geïnitieerd vanuit Nederland.”
Ook wil zij de waarde van het combineren van theranostiek met andere behandelmodaliteiten onderzoeken. “Ik geloof sterk in combinatietherapie met radioligandtherapie, misschien ook met radiotherapie en immunotherapie. In de toekomst verwacht ik ook dat radioligandtherapie samen met focale therapie echt een verbetering kan opleveren bij urologische tumoren. Wel moet je hiervoor een goede patiëntenselectie toepassen en zal een geïndividualiseerde aanpak nodig zijn.”
Andere tumoren
Oprea-Lager richt zich in haar onderzoek voorlopig met name op uro-oncologische tumoren, maar theranostiek wordt mogelijk ook bij andere tumortypen van belang. Zo lijkt onder meer theranostiek met behulp van FAPI (fibrogen activation protein inhibitor), veelbelovend, omdat dit oppervlakte-eiwit op diverse tumoren aanwezig is en nauwelijks op gezond weefsel. Oprea-Lager onderzocht deze marker in Amsterdam bij patiënten met pancreascarcinoom. “Het zou interessant zijn om dit voort te zetten. Er zijn verschillende tracers met brede toepassingen die we verder willen onderzoeken.“
Tevens zijn er ontwikkelingen wat betreft de radioactieve stoffen die worden gebruikt voor radioligandtherapie. Hiervoor worden veelal bètastralers gebruikt, zoals Lutetium-177, maar ook krachtigere alfastralers zoals Actinium-225 worden wel gebruikt. Oprea-Lager: “Dat zijn ook veelbelovende therapieën. Een belangrijk nadeel is wel dat dit leidt tot een volledige destructie van de speekselklieren. Hierbij is een droge mond een blijvend verschijnsel en dat kan gepaard gaan met een verminderde kwaliteit van leven. Interessant is dat we inmiddels weten dat behandeling met alfastralers kan leiden tot het opnieuw gevoelig worden van kankercellen die eerder een respons vertoonden op lutetium. Ik wil me ook inzetten om onderzoek te doen naar dergelijke combinatietherapieën. Wat is de optimale behandelstrategie? Hoeveel cycli, in welke doseringen en met welke tijdsintervallen tussen de behandelingscycli? Dat soort aspecten moeten we als nucleair geneeskundigen, in samenwerking met onze klinische partners, gaan onderzoeken.”
Drs. Twan van Venrooij, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 5