Atezolizumab-monotherapie na definitieve chemoradiatie zorgde voor een klinisch relevante verbetering van de progressievrije en algehele overleving bij patiënten met niet-resectabel, lokaal gevorderd plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm. De combinatie van tiragolumab met atezolizumab liet echter geen significante verbetering zien ten opzichte van placebo. Dat blijkt uit de resultaten van SKYSCRAPER-07, die dr. Ian Chau (Sutton, Verenigd Koninkrijk) presenteerde tijdens het ESMO Congress 2025.
Patiënten met niet-resectabel, gevorderd plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm (ESCC) worden doorgaans behandeld met definitieve chemoradiatie (dCRT), maar bij 40-60% van hen komt de ziekte terug. Chemoradiatie kan het micromilieu van de tumor veranderen, waardoor daaropvolgende immunotherapie effectiever is. In de SKYSCRAPER-07-studie werd onderzocht of behandeling na dCRT met de immuuncheckpointremmers tiragolumab (anti-TIGIT) en atezolizumab (anti-PD-L1) de uitkomsten kan verbeteren.1
SKYSCRAPER-07
In deze internationale fase 3-studie werden in totaal 760 patiënten geïncludeerd met niet-resectabel, lokaal gevorderd ESCC die behandeld waren met dCRT en geen progressie vertoonden. In arm A kregen de patiënten tiragolumab (600 mg, Q3W) plus atezolizumab (1.200 mg, Q3W), in arm B atezolizumab plus placebo, en in arm C alleen placebo. De behandeling duurde maximaal zeventien cycli, of tot aan progressie of ondraaglijke toxiciteit.
De primaire uitkomstmaten werden hiërarchisch getest in de volgorde: progressievrije overleving (PFS) in arm A versus C, algehele overleving (OS) in arm A versus C, en OS in arm B versus C. Ongeveer 60% van de patiënten was Aziatisch, en ongeveer 85% was positief voor PD-L1 (TAP-score ≥1%).
OS-voordeel met atezolizumab
“We zagen geen statistisch significant verschil in de primaire uitkomstmaat, de PFS met tiragolumab en atezolizumab ten opzichte van placebo (HR 0,82; p= 0,0947). Ook was er geen significant verschil in OS”, meldde Chau. Na een mediane follow-up van 25,0 maanden was de mediane PFS 20,8 maanden in arm A versus 16,6 maanden in arm C. De mediane OS was 38,6 maanden in arm A en 36,4 maanden in arm C. “Geen van de geanalyseerde subgroepen profiteerde van de combinatie van tiragolumab met atezolizumab.”
“Voor de tweede behandelingsvergelijking, atezolizumab versus placebo, zagen we een OS-voordeel van atezolizumab (HR 0,69; 95% BI 0,52-0,91; beschrijvende p=0,0085)”, aldus Chau. De OS na twee jaar was 69,1% met atezolizumab en 59,4% met placebo. Ook de PFS verbeterde met atezolizumab ten opzichte van placebo (mediane PFS 29,1 maanden; HR 0,74; beschrijvende p=0,0113). De PFS na twee jaar was 52,8% versus 40,9%. “Alle subgroepen leken te profiteren, behalve mogelijk degenen die negatief waren voor PD-L1.”
Minder dosissen
Behandeling met tiragolumab en atezolizumab resulteerde in meer behandelingsgerelateerde bijwerkingen (74,8% versus 65,2% met alleen atezolizumab en 55,4% met placebo). “Dat leidde ertoe dat er minder dosissen werden gegeven: in de combinatiearm waren dit er slechts twaalf, terwijl in beide andere armen zeventien dosissen gegeven werden, het maximale aantal”, merkte Chau op. Wat betreft de immuungerelateerde bijwerkingen was alleen een duidelijke toename zichtbaar van immuungemedieerde huiduitslag.
“Atezolizumab na dCRT is de eerste en enige behandeling die een klinisch relevante verbetering in PFS en OS laat zien sinds dCRT de standaardbehandeling werd in deze populatie”, concludeerde Chau.
Referentie
1. Chau I, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): 2094O.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar prof. dr. Hanneke van Laarhoven, internist-oncoloog, Amsterdam UMC
Voor maag- en slokdarmkanker gaan de ontwikkelingen langzaam, maar gestaag vooruit. Dat bleek bijvoorbeeld uit de MATTERHORN-studie.1 In deze studie werden patiënten met lokaal gevorderde, resectabele maagkanker of kanker van de gastro-oesofageale overgang gerandomiseerd naar een perioperatieve behandeling met durvalumab plus FLOT of placebo plus FLOT. Eerder werd al een hoger percentage pathologisch complete responsen en een betere eventvrije overleving gezien met de combinatie met durvalumab. Nu blijkt ook de algehele overleving (OS) significant beter, met een HR van 0,78 (p=0,021). Het absolute OS-verschil na 36 maanden was 6,7% in het voordeel van durvalumab. Dit is hoger dan de kritische grens van 5% van de PASKWIL-criteria. Na 36 maanden leefde 68,6% van de patiënten nog; dat is echt mooi nieuws. Er zijn wel kanttekeningen: bepaalde subgroepen (vrouwen, patiënten met diffuus carcinoom of patiënten met een N0-status) leken minder te profiteren. Desondanks zijn dit hoopgevende en klinisch relevante resultaten.
Een andere interessante studie tijdens het ESMO-congres was de FORTITUDE-101. Hierin werd bemarituzumab onderzocht bij patiënten met FGFR2b-positieve, HER2-negatieve maagkanker.2 Na positieve fase 2-resultaten waren de verwachtingen hoog. Patiënten werden gerandomiseerd naar bemarituzumab met mFOLFOX6 of placebo met mFOLFOX6. De behandeling in de controlegroep is niet optimaal, omdat we tegenwoordig bij een voldoende hoge combined positive score een immuuncheckpointremmer zouden toevoegen. De eerste resultaten van deze studie waren veelbelovend, met een mediane overleving van 17,9 versus 12,5 maanden (HR 0,61), maar de follow-up was kort. In een beschrijvende analyse met een langere follow-up (19,4 maanden) lagen de cijfers dichter bij elkaar: 14,5 versus 13,2 maanden. Het aanvankelijke positieve effect in FORTITUDE-101 werd mogelijk gedreven door een kleine groep met een hoge FGFR2b-expressie én door vroegtijdige censoring, waardoor deze vroege responders relatief zwaar wogen in de eerste analyses. Bij volledige follow-up kwamen steeds meer events van de hele groep beschikbaar, waardoor het ogenschijnlijke voordeel verwaterde.
Ook was er aandacht voor de SKYSCRAPER-07-studie.3 De standaardbehandeling voor niet-resectabel, gevorderd plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm (ESCC) is definitieve chemoradiatie (dCRT). In deze studie werden patiënten zonder progressie na dCRT gerandomiseerd naar een combinatie van anti-TIGIT plus anti-PD-L1, anti-PD-L1 plus placebo of alleen placebo. De studie was hiërarchisch opgezet, waardoor bij een negatief resultaat voor de vergelijking tussen de combinatie en placebo, alle andere vergelijkingen exploratief van aard waren. Dat bleek erg jammer, want de progressievrije overleving (PFS) was met 20,8 maanden met de combinatie versus 16,6 maanden met placebo niet significant verschillend (HR 0,82). Opvallend genoeg liet anti-PD-L1-monotherapie wél betere resultaten zien, met een PFS van 29,1 maanden en een tweejaars-OS van 69% versus 59%. Immuuncheckpointremming lijkt dus wel zinvol bij ESCC, maar de combinatie met anti-TIGIT was waarschijnlijk te toxisch voor deze kwetsbare patiëntengroep.
In de KC-WISE-studie is onderzocht of na progressie op trastuzumab een volgendelijnsbehandeling met anbenitamab plus chemotherapie zinvol is bij patiënten met HER2-positieve, gemetastaseerde maagkanker of kanker van de gastro-oesofageale overgang.4 De resultaten waren indrukwekkend: de mediane overleving was 19,6 maanden met anbenitamab versus 11,5 maanden met chemotherapie alleen (HR 0,29). Wel weer een kanttekening: de controlegroep kreeg geen trastuzumab deruxtecan, wat internationaal inmiddels wel als standaard wordt beschouwd in deze setting. Daarnaast is het een Chinese studie, waardoor nog moet blijken of de resultaten ook gelden voor niet-Chinese populaties.
Tot slot de Nederlandse PERISCOPE II-studie.5 In deze studie werd onderzocht of een behandeling met gastrectomie en cytoreductieve chirurgie met hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) voordeel biedt boven alleen systemische therapie bij maagkanker met beperkte peritoneale metastasen. Na inclusie van 101 patiënten adviseerde de data safety monitoring board de studie te stoppen. De mediane overleving was 16,6 maanden in de controlegroep versus 15,7 maanden in de interventiegroep. Een teleurstellend maar belangrijk resultaat, zeker omdat patiënten soms naar het buitenland reizen voor HIPEC. Een interessant punt is mogelijk nog dat patiënten in de interventiegroep relatief weinig chemotherapie hebben gekregen. Daar ligt misschien nog een sleutel voor succes.
Referenties
1. Tabernero J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA81.
2. Rha SY, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA10.
3. Chau I, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): 2094O.
4. Xu J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA78.
5. Quik J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 2096MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en prof. dr. Hanneke van Laarhoven naast bovenstaande studies ook de EDGE-Gastric-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts