Geüpdatete resultaten van de gerandomiseerde fase 3-SONIA-studie (BOOG 2017-03) laten zien dat behandeling met CDK4/6-remmers in de eerste lijn in vergelijking met behandeling in tweede lijn resulteert in een vergelijkbare algehele overleving bij patiënten met hormoonreceptor-positieve, HER2-negatieve, gevorderde borstkanker. Een post-hocanalyse suggereert dat eerstelijnsbehandeling met een CDK4/6-remmer wel geassocieerd is met een betere algehele overleving bij premenopauzale patiënten, maar niet bij postmenopauzale patiënten. Deze resultaten werden tijdens het ESMO Congres 2025 gepresenteerd door Noor Wortelboer, MD. (Erasmus MC, Rotterdam).
In de gerandomiseerde fase 3-SONIA-studie wordt onderzocht wat de optimale timing is van het gebruik van CDK4/6-remmers bij patiënten met hormoonreceptor-positieve, HER2-negatieve, gevorderde borstkanker. Uit de primaire analyse van deze studie bleek dat eerste- versus tweedelijnsbehandeling met een CDK4/6-remmer (CDK4/6i-first versus CDK4/6i-second) geassocieerd was met een vergelijkbare periode tussen randomisatie en ziekteprogressie na tweedelijnsbehandeling, de primaire uitkomstmaat van de studie, en een equivalente kwaliteit van leven.1 Tegelijkertijd leidde de eerstelijnsbehandeling tot 74% meer bijwerkingen van graad 3 of 4 en tot gemiddeld €27.000 hogere kosten per patiënt vergeleken met tweedelijnsbehandeling. De huidige resultaten zijn afkomstig van de vooraf gedefinieerde analyse van de algehele overleving (OS).
Vergelijkbare OS
Ten tijde van de primaire analyse, met toen 37,3 maanden mediane follow-up, was er tussen de twee studiearmen geen verschil in de OS. De mediane OS was 45,9 maanden in de CDK4/6i-first-arm vergeleken met 53,7 maanden in de CDK4/6i-second-arm (HR 0,98; 95% BI 0,80-1,20; p=0,83). Uit de geüpdatete resultaten blijkt nu dat er ook na een mediane follow-up van 58,8 maanden geen significant verschil is tussen de OS in de twee studiearmen.2 “De mediane OS was 47,9 maanden met CDK4/6-remmers in de eerste lijn versus 48,1 maanden met CDK4/6i-remmers in de tweede lijn (HR 0,91; 95% BI 0,77-1,07; p=0,24). Eerdere behandeling met CDK4/6-remmers vertaalt zich dus niet in een langere overleving”, aldus Noor Wortelboer.
Subgroepen
Een analyse van vooraf gedefinieerde subgroepen, waaronder die op basis van het type CDK4/6-remmer, liet zien dat de vergelijkbare OS ook in deze subgroepen tot uiting kwam. Dit betekent dat er zowel met palbociclib als ribociclib geen voordeel is voor eerstelijnsbehandeling. Een post-hocanalyse suggereerde dat premenopauzale patiënten mogelijk wel een OS-voordeel hebben van eerstelijnsbehandeling met CDK4/6-remmers (HR 0,53; 99% BI 0,27-1,02). Bij postmenopauzale patiënten was dit niet het geval (HR 1,00; 99% BI 0,80-1,25; interactie p=0,01).
Na de tweedelijnsbehandeling startte 84% van de patiënten met een andere oncologische behandeling, waaronder hormoon-, doelgerichte en chemotherapie. De frequentie waarmee de verschillende opvolgende therapieën werden gekozen was vergelijkbaar in beide armen.
De SONIA-studie is een initiatief van oncologen prof. dr. Agnes Jager (Erasmus MC), dr. Inge Konings (Amsterdam UMC) en prof. dr. Gabe Sonke (Antoni van Leeuwenhoek), samenwerkend binnen de Borstkanker Onderzoekgroep (BOOG).
Referenties
1. Sonke GS, et al. Nature 2024;636:474-80.
2. Wortelboer N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 487MO.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Marleen Kok, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het toevoegen van pembrolizumab aan neoadjuvante chemotherapie bij vroeg-stadium triple-negatieve borstkanker (TNBC) verbetert het percentage pathologisch complete responsen (pCR’s) en de ziektevrije overleving (DFS). In de Indiase PLANeT-studie, gepresenteerd tijdens het ESMO Congress 2025, is onderzocht of een lage dosis pembrolizumab toegevoegd aan neoadjuvante chemotherapie ook goede uitkomsten zou geven.1 Het chemotherapieregime bestond uit doxorubicine, cyclofosfamide en paclitaxel (zonder carboplatine); pembrolizumab werd toegediend in een dosering van slechts 50 mg elke 6 weken. De resultaten waren indrukwekkend: 53,8% van de patiënten in de pembrolizumabgroep behaalde een pCR versus 40,5% met chemotherapie alleen. Het aantal bijwerkingen was vergelijkbaar met de reguliere dosering pembrolizumab, wat erop wijst dat zelfs een lage dosering pembrolizumab al een sterke immuunrespons kan opwekken. Ik hoop dat dit een vervolg zal krijgen, zeker omdat pembrolizumab in veel landen nog niet verkrijgbaar is of veel te duur is.
Tijdens het ESMO-congres was er veel aandacht voor de antilichaam-geneesmiddelconjugaten (ADC’s) bij borstkanker, waaronder trastuzumab deruxtecan (T-DXd) voor HER2-positieve ziekte. In de DESTINY-Breast11-studie werden 300 patiënten met hoog-risico, vroege borstkanker gerandomiseerd naar T-DXd gevolgd door paclitaxel, trastuzumab en pertuzumab (T-DXd-THP), dose-dense doxorubicine plus cyclofosfamide gevolgd door THP (ddAC-THP) of T-DXd-monotherapie.2 De monotherapiegroep werd voortijdig gestopt wegens mogelijk een te lage kans op een pCR. In de T-DXd-THP-groep behaalde 67,3% van de patiënten een pCR versus 56,3% in de ddAC-THP-groep. Er kwamen echter kritische vragen over de controlegroep. ddAC-THP wordt in de praktijk niet veel meer gebruikt en gaat gepaard met veel toxiciteit. Hierdoor heeft de controlegroep naar mijn mening een te zware behandeling gehad en ik verwacht niet dat deze studie de Nederlandse praktijk gaat veranderen, mede omdat we nu ook alleen pCR-data hebben gezien uit een relatief kleine studie.
In de DESTINY-Breast05 werd een adjuvante behandeling met trastuzumab emtansine (T-DM1) vergeleken met T-DXd bij hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker met restziekte na neoadjuvante therapie.3 Hoog risico betekende in dit geval klinisch stadium T4 of betrokkenheid van meerdere lymfeklieren; dat is echt een groep die ondanks de al best goede standaardbehandeling nog een relatief slechte overleving heeft. De DFS was significant beter met T-DXd, met een HR van 0,47 en een absoluut verschil van 8%. De driejaars-DFS bedroeg 92% met T-DXd versus 83% met T-DM1. Dit zijn belangrijke resultaten waar Nederlandse patiënten hopelijk ook profijt van gaan hebben. Op basis van de PASKWIL-criteria lijkt voorlopige goedkeuring gerechtvaardigd. Wel blijft interstitiële longziekte een zorg, een bijwerking waar twee patiënten in deze studie aan overleden.
In Nederland kunnen patiënten met oligogemetastaseerde ziekte momenteel neoadjuvant T-DXd krijgen in de ANISE-studie.
Er werden ook interessante studies gepresenteerd over andere ADC’s. In de ASCENT-03-studie werd sacituzumab govitecan (SG) in eerste behandellijn vergeleken met chemotherapie bij patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde TNBC die niet in aanmerking kwamen voor PD-(L)1-remmers.4 De progressievrije overleving (PFS) verbeterde weliswaar significant met 2,8 maanden, maar deze winst is te beperkt om te voldoen aan de PASKWIL-criteria. Deze studie zal de Nederlandse praktijk daarom waarschijnlijk niet veranderen.
In de TROPION-Breast02 is datopotamab deruxtecan (dato-DXd) onderzocht versus chemotherapie bij patiënten met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC voor wie immunotherapie geen optie was.5 De PFS-winst bedroeg 5,2 maanden, met een HR voor algehele overleving (OS) van 0,79. Hoewel dit middel in Nederland nog niet beschikbaar is en deze OS-resultaten nog onvoldoende zijn voor goedkeuring, biedt de PFS-winst mogelijk toch perspectief voor ook de Nederlandse patiënt.
Tot slot werden de OS-data van de SONIA-studie, naar de plaats van CDK4/6-remmers, gepresenteerd.6 Net als bij de PFS bleek het ook voor OS niet uit te maken of deze middelen in de eerste of tweede lijn worden gegeven. Een subgroepanalyse suggereerde wel een OS-voordeel voor premenopauzale vrouwen bij gebruik in de eerste lijn, maar niet voor postmenopauzale vrouwen. In de discussie werd opgemerkt dat de controlearm slechter presteerde dan in de eerdere registratiestudies. Dit komt waarschijnlijk doordat de SONIA niet de strikte inclusiecriteria hanteerde van de registratiestudies, maar juist een heel pragmatische opzet had met ruimere inclusiecriteria, waardoor de patiëntengroep beter de dagelijkse praktijk weerspiegelt.
Referenties
1. Batra A, et al. Ann Oncol 2025;36(Suppl_2): abstr LBA15.
2. Harbeck N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 291O.
3. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
4. Cortés J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA20.
5. Dent R, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA21.
6. Wortelboer N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 487MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Marleen Kok naast bovenstaande studies ook OS-resultaten van de monarchE- en NATALEE-studie, de POSITIVE-studie en de DESTINY-Breast09. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts