De resultaten van de gerandomiseerde fase 3-ARASAFE-studie laten zien dat 50 mg/m2 docetaxel elke twee weken versus 75 mg/m² elke drie weken in combinatie met androgeendeprivatietherapie en darolutamide geassocieerd is met significant minder bijwerkingen van graad 3-5 en een lagere incidentie van neutropenie van graad 3-4 of sterfte wegens elke oorzaak. Wel was de PSA-waarde iets hoger met 50 mg/m2 docetaxel elke twee weken dan met 75 mg/m² elke drie weken. Deze resultaten werden tijdens het ESMO Congress 2025 gepresenteerd door prof. dr. Marc-Oliver Grimm (Jena, Duitsland).
Drievoudige behandeling met androgeendeprivatietherapie (ADT), darolutamide en docetaxel is geregistreerd voor de behandeling van gemetastaseerde, hormoongevoelige prostaatkanker (mHSPC). Deze combinatiebehandeling is echter ook geassocieerd met aanzienlijke toxiciteit, met name wegens de bijwerkingen van docetaxel.
In de academische, gerandomiseerde, open-label, multicenter fase 3-ARASAFE-studie werd onderzocht of behandeling met ADT, darolutamide en een lagere dosis van docetaxel geassocieerd is met een vergelijkbare werkzaamheid, maar minder toxiciteit. Hiertoe werden patiënten met mHSPC toegewezen aan 50 mg/m2 docetaxel elke twee weken (D50) of 75 mg/m² docetaxel elke drie weken (D75), in combinatie met ADT en darolutamide. De primaire uitkomstmaten waren de incidentie van bijwerkingen van graad 3-5 en van neutropenie van graad 3-4 of overlijden om welke reden dan ook.
Minder bijwerkingen
De baselinekenmerken in beide studiearmen waren in balans, maar de blootstelling aan docetaxel was hoger in de D50-arm dan in de D75-arm.1 Het gemiddelde aantal docetaxeldoses was 10,7 in de D50-arm versus 5,6 in de D75-arm en de gemiddelde cumulatieve dosis was respectievelijk 1.073,5 versus 842,8 mg.
Uit de veiligheidsanalyse bleek dat de primaire uitkomstmaten van ARASAFE waren bereikt. In de D50-arm had 61,2% van de patiënten bijwerkingen van graad 3-5, vergeleken met 78,9% van de patiënten in de D75-arm (p=0,0024). Neutropenie van graad 3-4 of sterfte wegens elke oorzaak kwam voor bij 24,0% van de patiënten in de D50-arm versus 64,1% van de patiënten in de D75-arm (p<0,00001). “Met name graad 3-5-neutropenie (20,7% in de D50-arm versus 55,5% in de D75-arm), -leukopenie (9,1 versus 25,0%) en -febriele neutropenie (1,7 versus 5,5%) kwamen minder vaak voor in de D50-arm dan in de D75-arm”, vertelde Marc-Oliver Grimm.
PSA-waarde
De mediane PSA-waarde na 26 weken, als surrogaatmarker van de oncologische uitkomst, was 0,26 ng/ml in de D50-arm vergeleken met 0,16 ng/ml in de D75-arm. Grimm: “Het percentage patiënten met een PSA-waarde ≤0,2 ng/ml was iets lager in de D50-arm dan in de D75-arm: 41,3 versus 48,8%.” In de D50- en D75-arm had respectievelijk 43,0 en 33,3% van de patiënten een PSA-waarde 0,2-4,0 ng/ml en 9,9 en 10,9% van de patiënten een PSA-waarde van >4,0 ng/ml.
Referentie
1. Grimm M-O, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA92.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer