De resultaten van de PERISCOPE II-studie laten geen overlevingsvoordeel zien van een maagresectie en cytoreductieve chirurgie met hypertherme intraperitoneale chemotherapie ten opzichte van alleen systemische therapie bij patiënten met maagkanker en beperkte peritoneale metastasering. Arts-onderzoeker drs. Judith Quik (Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam) presenteerde deze resultaten tijdens het ESMO Congress 2025.
De huidige standaardbehandeling voor patiënten met maagkanker en peritoneale metastasen is palliatieve systemische therapie, bestaande uit chemotherapie met – indien geïndiceerd – immunotherapie of doelgerichte therapie, begon Judith Quik haar presentatie. “Tot op de dag van vandaag is er geen wetenschappelijk bewijs dat laat zien dat uitgebreide chirurgie en hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) een significant overlevingsvoordeel geeft ten opzichte van systemische therapie alleen bij deze patiënten.” Het doel van de PERISCOPE II-studie was om antwoord te krijgen op de vraag of een maagresectie met cytoreductieve chirurgie (CRS) en HIPEC de overleving verbetert vergeleken met de standaardbehandeling: alleen systemische therapie.1 Patiënten kwamen in aanmerking voor deze multicenter, gerandomiseerde fase 3-studie als zij een lokaal vergevorderd, resectabel maagcarcinoom hadden met beperkte peritoneale metastasering (PCI <7 en/of tumorpositieve peritoneale cytologie) en geen ziekteprogressie na minimaal drie cycli systemische therapie.
Interimanalyse voor futiliteit
Patiënten werden 1:1 gerandomiseerd tussen het continueren van systemische therapie (de standaardbehandeling) of chirurgie bestaande uit een (sub)totale maagresectie met CRS en HIPEC (de experimentele behandeling). Deze procedure werd alleen uitgevoerd als de peritoneale metastasering ten tijde van de chirurgische ingreep nog steeds beperkt was. Quik: “De primaire uitkomstmaat was de algehele overleving (OS), secundaire uitkomstmaten waren de behandelingsgerelateerde toxiciteit, kwaliteit van leven en progressievrije overleving. Het doel was 226 patiënten te includeren.”
In september 2024 werd de studie voortijdig gestopt op basis van een tussentijdse analyse voor futiliteit. Deze analyse was aangevraagd door Zorginstituut Nederland. Op dat moment bestond de intention-to-treat (ITT)-populatie uit 101 patiënten en de per-protocol (PP)-populatie uit 81 patiënten. Pathologieresultaten van de experimentele arm toonden ongunstige tumorkarakteristieken in deze patiëntenpopulatie (ypT4 bij 38% en ypN3 bij 46% van de patiënten). Het percentage R1-resecties was 24%. “De mediane OS in de ITT-populatie was 16,6 maanden in de standaardarm en 15,7 maanden in de experimentele arm (HR 1,1; p=0,7)”, zei Quik. “In de PP-analyse was de mediane OS respectievelijk 15,2 en 17,3 maanden (HR 0,65; p=0,12).”
Ernstige bijwerkingen/complicaties deden zich 49 keer voor; vier bij drie patiënten (6%) in de standaardarm en 45 bij 22 patiënten (44%) in de experimentele arm. Drie patiënten zijn binnen 100 dagen na randomisatie als gevolg van de behandeling overleden; allen in de experimentele arm.
Interpretatie van de bevindingen
Quik concludeerde dat de PERISCOPE II-studie geen overlevingsvoordeel toonde van een maagresectie met CRS/HIPEC ten opzichte van systemische therapie alleen bij patiënten met maagkanker en beperkte peritoneale metastasering. “Een belangrijke uitkomst van de studie is dat de overleving in de standaardarm beter was dan tot nu toe altijd gedacht.” Ook moeten volgens Quik de aanzienlijke morbiditeit en mortaliteit in de experimentele arm in acht genomen worden. Daarnaast is het belangrijk de resultaten van de PP-analyse voorzichtig te interpreteren. “Wegens herstadiëring ten tijde van de operatieve ingreep werden patiënten met uitgebreide peritoneale metastasering in de experimentele groep geëxcludeerd. In de standaardgroep zullen ook dergelijke patiënten hebben gezeten, maar die zijn niet als zodanig geïdentificeerd. Dit kan de overlevingsuitkomsten in deze laatste groep negatief beïnvloed hebben.”
Quik besloot: “Op dit moment heeft de combinatiebehandeling bestaande uit een maagresectie en CRS/HIPEC geen plaats in de standaardbehandeling van patiënten met maagkanker en peritoneale metastasering. Onderzoek is nu gericht op vroege detectie van peritoneale metastasering. De toekomst zal uitwijzen of er een subgroep is die wel baat heeft bij uitgebreide chirurgie met CRS/HIPEC.”
Referentie
1. Quik J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2); abstr 2096MO.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar prof. dr. Hanneke van Laarhoven, internist-oncoloog, Amsterdam UMC
Voor maag- en slokdarmkanker gaan de ontwikkelingen langzaam, maar gestaag vooruit. Dat bleek bijvoorbeeld uit de MATTERHORN-studie.1 In deze studie werden patiënten met lokaal gevorderde, resectabele maagkanker of kanker van de gastro-oesofageale overgang gerandomiseerd naar een perioperatieve behandeling met durvalumab plus FLOT of placebo plus FLOT. Eerder werd al een hoger percentage pathologisch complete responsen en een betere eventvrije overleving gezien met de combinatie met durvalumab. Nu blijkt ook de algehele overleving (OS) significant beter, met een HR van 0,78 (p=0,021). Het absolute OS-verschil na 36 maanden was 6,7% in het voordeel van durvalumab. Dit is hoger dan de kritische grens van 5% van de PASKWIL-criteria. Na 36 maanden leefde 68,6% van de patiënten nog; dat is echt mooi nieuws. Er zijn wel kanttekeningen: bepaalde subgroepen (vrouwen, patiënten met diffuus carcinoom of patiënten met een N0-status) leken minder te profiteren. Desondanks zijn dit hoopgevende en klinisch relevante resultaten.
Een andere interessante studie tijdens het ESMO-congres was de FORTITUDE-101. Hierin werd bemarituzumab onderzocht bij patiënten met FGFR2b-positieve, HER2-negatieve maagkanker.2 Na positieve fase 2-resultaten waren de verwachtingen hoog. Patiënten werden gerandomiseerd naar bemarituzumab met mFOLFOX6 of placebo met mFOLFOX6. De behandeling in de controlegroep is niet optimaal, omdat we tegenwoordig bij een voldoende hoge combined positive score een immuuncheckpointremmer zouden toevoegen. De eerste resultaten van deze studie waren veelbelovend, met een mediane overleving van 17,9 versus 12,5 maanden (HR 0,61), maar de follow-up was kort. In een beschrijvende analyse met een langere follow-up (19,4 maanden) lagen de cijfers dichter bij elkaar: 14,5 versus 13,2 maanden. Het aanvankelijke positieve effect in FORTITUDE-101 werd mogelijk gedreven door een kleine groep met een hoge FGFR2b-expressie én door vroegtijdige censoring, waardoor deze vroege responders relatief zwaar wogen in de eerste analyses. Bij volledige follow-up kwamen steeds meer events van de hele groep beschikbaar, waardoor het ogenschijnlijke voordeel verwaterde.
Ook was er aandacht voor de SKYSCRAPER-07-studie.3 De standaardbehandeling voor niet-resectabel, gevorderd plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm (ESCC) is definitieve chemoradiatie (dCRT). In deze studie werden patiënten zonder progressie na dCRT gerandomiseerd naar een combinatie van anti-TIGIT plus anti-PD-L1, anti-PD-L1 plus placebo of alleen placebo. De studie was hiërarchisch opgezet, waardoor bij een negatief resultaat voor de vergelijking tussen de combinatie en placebo, alle andere vergelijkingen exploratief van aard waren. Dat bleek erg jammer, want de progressievrije overleving (PFS) was met 20,8 maanden met de combinatie versus 16,6 maanden met placebo niet significant verschillend (HR 0,82). Opvallend genoeg liet anti-PD-L1-monotherapie wél betere resultaten zien, met een PFS van 29,1 maanden en een tweejaars-OS van 69% versus 59%. Immuuncheckpointremming lijkt dus wel zinvol bij ESCC, maar de combinatie met anti-TIGIT was waarschijnlijk te toxisch voor deze kwetsbare patiëntengroep.
In de KC-WISE-studie is onderzocht of na progressie op trastuzumab een volgendelijnsbehandeling met anbenitamab plus chemotherapie zinvol is bij patiënten met HER2-positieve, gemetastaseerde maagkanker of kanker van de gastro-oesofageale overgang.4 De resultaten waren indrukwekkend: de mediane overleving was 19,6 maanden met anbenitamab versus 11,5 maanden met chemotherapie alleen (HR 0,29). Wel weer een kanttekening: de controlegroep kreeg geen trastuzumab deruxtecan, wat internationaal inmiddels wel als standaard wordt beschouwd in deze setting. Daarnaast is het een Chinese studie, waardoor nog moet blijken of de resultaten ook gelden voor niet-Chinese populaties.
Tot slot de Nederlandse PERISCOPE II-studie.5 In deze studie werd onderzocht of een behandeling met gastrectomie en cytoreductieve chirurgie met hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) voordeel biedt boven alleen systemische therapie bij maagkanker met beperkte peritoneale metastasen. Na inclusie van 101 patiënten adviseerde de data safety monitoring board de studie te stoppen. De mediane overleving was 16,6 maanden in de controlegroep versus 15,7 maanden in de interventiegroep. Een teleurstellend maar belangrijk resultaat, zeker omdat patiënten soms naar het buitenland reizen voor HIPEC. Een interessant punt is mogelijk nog dat patiënten in de interventiegroep relatief weinig chemotherapie hebben gekregen. Daar ligt misschien nog een sleutel voor succes.
Referenties
1. Tabernero J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA81.
2. Rha SY, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA10.
3. Chau I, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): 2094O.
4. Xu J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA78.
5. Quik J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 2096MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en prof. dr. Hanneke van Laarhoven naast bovenstaande studies ook de EDGE-Gastric-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts