Een adjuvante behandeling met trastuzumab deruxtecan (T-DXd) geeft een significant betere invasieve-ziektevrije overleving (IDFS) ten opzichte van trastuzumab emtansine (T-DM1) bij hoog-risicopatiënten met HER2-positieve, vroege borstkanker en invasieve restziekte na neoadjuvante therapie. Dit blijkt uit een interimanalyse van de DESTINY-Breast05-studie, waarvan dr. Charles Geyer (Pittsburgh, Verenigde Staten) de resultaten presenteerde tijdens het eerste Presidential Symposium van het ESMO Congress 2025. “Het driejaars-IDFS-percentage was 92,4% met T-DXd en 83,7% met T-DM1.”
HER2-gerichte therapie, zoals T-DM1, heeft de uitkomsten voor patiënten met HER2-positieve, vroege borstkanker flink verbeterd, begon Charles Geyer. “Maar er is een duidelijke noodzaak voor betere behandelingen in de post-neoadjuvante setting voor hoog-risicopatiënten.” Daarom zijn in de wereldwijd uitgevoerde, gerandomiseerde, open-label fase 3-DESTINY-Breast05-studie de werkzaamheid en veiligheid van een adjuvante behandeling met T-DXd onderzocht versus een adjuvante behandeling met T-DM1 bij patiënten met hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker met invasieve restziekte na neoadjuvante therapie.1
Recidieven op afstand
In deze studie werden 1.635 patiënten 1:1 gerandomiseerd naar veertien cycli T-DXd of veertien cycli T-DM1. De primaire uitkomstmaat was de IDFS, een belangrijke secundaire uitkomstmaat was de ziektevrije overleving (DFS). Geyer: “We zagen 102 IDFS-events in de T-DM1-groep, wat een driejaars-IDFS-percentage gaf van 83,7%. In de T-DXd-groep waren er 51 IDFS-events, wat overeenkomt met een driejaars-IDFS-percentage van 92,4% (HR 0,47; 95% BI 0,34-0,66; p<0,0001).” Dit voordeel van T-DXd werd gezien in alle vooraf gespecificeerde subgroepen. “De meeste IDFS-events waren recidieven op afstand”, zei Geyer. “Dit waren er 77 in de T-DM1-groep en 42 in de T-DXd-groep. De resultaten wat betreft de DFS waren vergelijkbaar met de IDFS-resultaten. De resultaten voor het afstandsrecidiefvrije interval (DRFI) waren relatief matuur, waarbij de driejaars-DRFI 86,1% was met T-DM1 en 93,9% met T-DXd (HR 0,49; 95% BI 0,34-0,71). Voor het hersenmetastasevrije interval en de algehele overleving waren de resultaten nog niet matuur.
Nieuwe standaardbehandeling
Wat betreft de veiligheidsprofielen van T-DXd en T-DM1: ongeveer de helft van de patiënten in beide studiearmen ontwikkelde minstens één bijwerking van graad 3 of hoger. In totaal staakte 17,9% van de patiënten in de T-DXd-groep de behandeling, waarvan 10,8% wegens een aan T-DXd gerelateerde interstitiële longziekte (ILD) of pneumonitis. In de T-DM1-groep staakte 12,9% de behandeling, waarvan 2,5% wegens ILD/pneumonitis. Een dosisreductie was nodig bij ongeveer een kwart van de patiënten in beide groepen, en in totaal waren er drie overlijdens in de T-DXd-groep gerelateerd aan bijwerkingen en vijf in de T-DM1-groep. ILD van alle graden kwam voor bij 9,6% van de patiënten in de T-DXd-groep en bij 1,6% van de patiënten in de T-DM1-groep.
Een adjuvante behandeling met T-DXd liet een betere werkzaamheid zien dan T-DM1 en had een hanteerbaar veiligheidsprofiel bij patiënten met hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker en invasieve restziekte na neoadjuvante therapie, concludeerde Geyer. “Dit is mogelijk een nieuwe standaardbehandeling voor deze patiënten in de post-neoadjuvante setting.”
Referentie
1. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Marleen Kok, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het toevoegen van pembrolizumab aan neoadjuvante chemotherapie bij vroeg-stadium triple-negatieve borstkanker (TNBC) verbetert het percentage pathologisch complete responsen (pCR’s) en de ziektevrije overleving (DFS). In de Indiase PLANeT-studie, gepresenteerd tijdens het ESMO Congress 2025, is onderzocht of een lage dosis pembrolizumab toegevoegd aan neoadjuvante chemotherapie ook goede uitkomsten zou geven.1 Het chemotherapieregime bestond uit doxorubicine, cyclofosfamide en paclitaxel (zonder carboplatine); pembrolizumab werd toegediend in een dosering van slechts 50 mg elke 6 weken. De resultaten waren indrukwekkend: 53,8% van de patiënten in de pembrolizumabgroep behaalde een pCR versus 40,5% met chemotherapie alleen. Het aantal bijwerkingen was vergelijkbaar met de reguliere dosering pembrolizumab, wat erop wijst dat zelfs een lage dosering pembrolizumab al een sterke immuunrespons kan opwekken. Ik hoop dat dit een vervolg zal krijgen, zeker omdat pembrolizumab in veel landen nog niet verkrijgbaar is of veel te duur is.
Tijdens het ESMO-congres was er veel aandacht voor de antilichaam-geneesmiddelconjugaten (ADC’s) bij borstkanker, waaronder trastuzumab deruxtecan (T-DXd) voor HER2-positieve ziekte. In de DESTINY-Breast11-studie werden 300 patiënten met hoog-risico, vroege borstkanker gerandomiseerd naar T-DXd gevolgd door paclitaxel, trastuzumab en pertuzumab (T-DXd-THP), dose-dense doxorubicine plus cyclofosfamide gevolgd door THP (ddAC-THP) of T-DXd-monotherapie.2 De monotherapiegroep werd voortijdig gestopt wegens mogelijk een te lage kans op een pCR. In de T-DXd-THP-groep behaalde 67,3% van de patiënten een pCR versus 56,3% in de ddAC-THP-groep. Er kwamen echter kritische vragen over de controlegroep. ddAC-THP wordt in de praktijk niet veel meer gebruikt en gaat gepaard met veel toxiciteit. Hierdoor heeft de controlegroep naar mijn mening een te zware behandeling gehad en ik verwacht niet dat deze studie de Nederlandse praktijk gaat veranderen, mede omdat we nu ook alleen pCR-data hebben gezien uit een relatief kleine studie.
In de DESTINY-Breast05 werd een adjuvante behandeling met trastuzumab emtansine (T-DM1) vergeleken met T-DXd bij hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker met restziekte na neoadjuvante therapie.3 Hoog risico betekende in dit geval klinisch stadium T4 of betrokkenheid van meerdere lymfeklieren; dat is echt een groep die ondanks de al best goede standaardbehandeling nog een relatief slechte overleving heeft. De DFS was significant beter met T-DXd, met een HR van 0,47 en een absoluut verschil van 8%. De driejaars-DFS bedroeg 92% met T-DXd versus 83% met T-DM1. Dit zijn belangrijke resultaten waar Nederlandse patiënten hopelijk ook profijt van gaan hebben. Op basis van de PASKWIL-criteria lijkt voorlopige goedkeuring gerechtvaardigd. Wel blijft interstitiële longziekte een zorg, een bijwerking waar twee patiënten in deze studie aan overleden.
In Nederland kunnen patiënten met oligogemetastaseerde ziekte momenteel neoadjuvant T-DXd krijgen in de ANISE-studie.
Er werden ook interessante studies gepresenteerd over andere ADC’s. In de ASCENT-03-studie werd sacituzumab govitecan (SG) in eerste behandellijn vergeleken met chemotherapie bij patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde TNBC die niet in aanmerking kwamen voor PD-(L)1-remmers.4 De progressievrije overleving (PFS) verbeterde weliswaar significant met 2,8 maanden, maar deze winst is te beperkt om te voldoen aan de PASKWIL-criteria. Deze studie zal de Nederlandse praktijk daarom waarschijnlijk niet veranderen.
In de TROPION-Breast02 is datopotamab deruxtecan (dato-DXd) onderzocht versus chemotherapie bij patiënten met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC voor wie immunotherapie geen optie was.5 De PFS-winst bedroeg 5,2 maanden, met een HR voor algehele overleving (OS) van 0,79. Hoewel dit middel in Nederland nog niet beschikbaar is en deze OS-resultaten nog onvoldoende zijn voor goedkeuring, biedt de PFS-winst mogelijk toch perspectief voor ook de Nederlandse patiënt.
Tot slot werden de OS-data van de SONIA-studie, naar de plaats van CDK4/6-remmers, gepresenteerd.6 Net als bij de PFS bleek het ook voor OS niet uit te maken of deze middelen in de eerste of tweede lijn worden gegeven. Een subgroepanalyse suggereerde wel een OS-voordeel voor premenopauzale vrouwen bij gebruik in de eerste lijn, maar niet voor postmenopauzale vrouwen. In de discussie werd opgemerkt dat de controlearm slechter presteerde dan in de eerdere registratiestudies. Dit komt waarschijnlijk doordat de SONIA niet de strikte inclusiecriteria hanteerde van de registratiestudies, maar juist een heel pragmatische opzet had met ruimere inclusiecriteria, waardoor de patiëntengroep beter de dagelijkse praktijk weerspiegelt.
Referenties
1. Batra A, et al. Ann Oncol 2025;36(Suppl_2): abstr LBA15.
2. Harbeck N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 291O.
3. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
4. Cortés J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA20.
5. Dent R, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA21.
6. Wortelboer N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 487MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Marleen Kok naast bovenstaande studies ook OS-resultaten van de monarchE- en NATALEE-studie, de POSITIVE-studie en de DESTINY-Breast09. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts