De combinatie van venetoclax met azacitidine leidde niet tot verbetering van de algehele overleving bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd, hoog-risico myelodysplastisch syndroom. Subgroepanalyses van de fase 3-VERONA-studie, die dr. Guillermo Garcia-Manero (Houston, Verenigde Staten) presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting, laten echter een gunstige trend zien bij patiënten met hoge blastpercentages, jonger dan 75 jaar en met bepaalde mutaties.
Hypomethylerende middelen (HMA) vormen al twee decennia de belangrijkste behandeloptie voor patiënten met hoog-risico myelodysplastisch syndroom (HR-MDS), met een mediane algehele overleving (OS) van 0,8-3 jaar. Combinatie van venetoclax met azacitidine (ven + aza) liet eerder bemoedigende resultaten zien.1
VERONA
In de wereldwijde fase 3-VERONA-studie werden 509 patiënten geïncludeerd met nieuw-gediagnosticeerd MDS en een IPSS-risicoscore >3. De meesten behoorden tot de hoog- of zeer-hoog-risico-categorie, ongeveer 20% kwam in aanmerking voor stamceltransplantatie (HSCT) en ongeveer 20% had <5% blasten in het beenmerg. De patiënten werden gerandomiseerd tussen ven + aza of placebo + aza, en behandeld tot aan progressie, HSCT of ondraaglijke toxiciteit. De eerder gepresenteerde primaire resultaten brachten echter niet de gehoopte verandering van het behandellandschap voor HR-MDS. Na een follow-up van 41,2 maanden werd geen significant verschil in mediane OS gezien met ven + aza versus placebo + aza (22,2 versus 21,7 maanden; HR 0,908; p=0,38), waarmee de primaire uitkomstmaat niet werd behaald.2 “De overlevingscurves waren grotendeels overlappend, maar vanaf 21 maanden bleven ze uit elkaar lopen”, merkte Guillermo Garcia-Manero op.
Er was wel een significant verschil in respons tussen beide armen. De gemodificeerde algehele respons (mOR; complete respons, partiële respons en beenmerg-complete respons) was significant hoger met ven + aza: 76,2% versus 57,7% in de controlearm (p<0,0001). Garcia-Manero presenteerde nu extra analyses en de vooraf geplande subgroepanalyses van deze studie.3
Vaker transfusieonafhankelijkheid en HSCT
In de ven + aza-groep werden meer patiënten onafhankelijk van transfusies van rode bloedcellen of bloedplaatjes (55,7% en 68,6%, ten opzichte van 33,6% en 36,8% in de controlearm).
In de ven + aza-groep onderging 17% van de patiënten HSCT, de meerderheid van hen zonder overbruggingstherapie. In de controlearm onderging 13% HSCT, maar ongeveer een derde van hen had overbruggingstherapie nodig, die bij de helft bestond uit venetoclax. In de controlearm kregen meer patiënten een volgende behandeling (39%, versus 29% in de ven + aza-groep), dit was vaker venetoclax (21% versus 11%).
Subgroepen met meer voordeel
Subgroepanalyses lieten een trend zien tot mOR-voordeel van ven + aza bij patiënten met blastpercentages >5%, jonger dan 75 jaar en hoge of zeer hoge IPSS-R. “Niet alleen patiënten met een ASXL1-mutatie, maar ook degenen met een TP53- of RUNX1-mutatie hadden een mOR-voordeel van ven + aza”, merkte Garcia-Manero op.
Wat betreft de OS hadden de meeste subgroepen voordeel van ven + aza, behalve de patiënten met <5% blasten en patiënten van 75 jaar of ouder. Er waren geen nieuwe veiligheidssignalen, en de vroege mortaliteit was vergelijkbaar in beide armen.
“In de VERONA-studie werd de primaire uitkomstmaat van OS niet bereikt. Maar meer patiënten behandeld met ven + aza bereikten mOR, en er waren trends tot meer voordeel bij jongere patiënten, patiënten met hoge blastpercentages en bepaalde mutaties.”
Referenties
1. Garcia JS, et al. Blood 2025;145:1126-35.
2. Garcia-Manero G, et al. Clinical Lymphoma, Myeloma and Leukemia 2025;25:S644-S645.
3. Garcia-Manero G, et al. Blood 2025;146(Suppl 1): abstr 235.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist