Hoe kunnen patiënten met chronische lymfatische leukemie het best behandeld worden na een doelgerichte eerstelijnsbehandeling met een vaste behandelduur? Uit analyses van de GAIA/CLL13-studie blijkt dat een herbehandeling met een op venetoclax gebaseerde therapie haalbaar is, waarbij meer dan 80% van de patiënten twee jaar na een tweedelijnsbehandeling nog niet is gestart met een derdelijnsbehandeling. Dr. Carsten Niemann (Kopenhagen, Denemarken) presenteerde deze resultaten tijdens de 67e ASH Annual Meeting. “Chemo-immunotherapie heeft duidelijk geen plaats als tweedelijnsbehandeling.”
Er is weinig informatie beschikbaar over de uitkomsten van een tweedelijnsbehandeling na een eerstelijnsbehandeling op basis van venetoclax bij chronische lymfatische leukemie (CLL). De meeste patiënten die in studieverband behandeld zijn voor gerecidiveerde of refractaire (R/R) CLL hebben namelijk een eerdere behandellijn chemo-immunotherapie gekregen. In de gerandomiseerde fase 3-GAIA/CLL13-studie werden 926 fitte CLL-patiënten (zonder TP53-mutatie) gerandomiseerd naar een eerstelijnsbehandeling met chemo-immunotherapie (CIT), rituximab-venetoclax (RV), obinutuzumab-venetoclax (GV) of GV-ibrutinib (GIV). In de analyse van deze studie die Carsten Niemann tijdens de ASH Annual Meeting presenteerde, is gekeken naar de 177 patiënten met progressie op hun eerstelijnsbehandeling die tevens een tweedelijnsbehandeling ontvingen.1 Dit was het geval voor 65 patiënten uit de CIT-groep, 63 uit de RV-groep, 32 uit de GV-groep en 17 uit de GIV-groep. De keuze voor die tweedelijnstherapie werd bepaald door de onderzoeker.
BTK-remmer plus venetoclax
“We zagen dat de tijd van progressie tot het starten van de tweedelijnsbehandeling (of overlijden) overeenkwam tussen de verschillende groepen”, zei Niemann. Die varieerde van mediaan 10,1 maanden met CIT tot mediaan 14,5 maanden met GIV. Voor alle groepen, behalve de GV-groep, gold dat het merendeel van de patiënten met progressie een behandeling op basis van een BTK-remmer of op basis van venetoclax kreeg. In de GV-groep bestond de volgende behandeling voor bijna de helft van de patiënten uit een BTK-remmer plus venetoclax. “Slechts een paar patiënten kregen CIT als volgende behandeling”, zei Niemann.
Unmet need
Vervolgens besprak hij verschillende analyses waarin de behandelvrije overleving vanaf de tweedelijnsbehandeling (TFS2, wat betekent dat patiënten nog in leven waren en nog niet gestart met een derdelijnsbehandeling) centraal stond. Hij liet zien dat het tweejaars-TFS2-percentage gebaseerd op de eerstelijnsbehandeling 81,5% was met RV/GV/GIV en 77,6% met CIT (HR voor RV/GV/GIV versus CIT 0,691; 95% BI 0,354-1,347). De TFS2 uitgesplitst naar de verschillende tweedelijnsbehandelingen toonde dat patiënten die CIT als tweede behandellijn ontvingen het slecht deden, met een tweejaars-TFS2-percentage van 21,4%. Met een tweedelijnsbehandeling met venetoclax plus een BTK-remmer was het tweejaars-TFS2-percentage 88,5%, met een op venetoclax gebaseerde behandeling was dit 90,5% en voor een op een BTK-remmer gebaseerde behandeling 76,6%. Het tweejaars-TFS2-percentage na een eerstelijnsbehandeling met CIT was 40,0% met venetoclax plus een BTK-remmer, 95,0% met een op venetoclax gebaseerde behandeling, 75,7% met een op een BTK-remmer gebaseerde behandeling en 0,0% met CIT. Het tweejaars-TFS2-percentage na een eerstelijnsbehandeling met RV/GV/GIV was respectievelijk 100,0%, 81,4%, 77,9% en 27,8%. Het percentage patiënten dat na twee jaar vanaf de tweedelijnsbehandeling nog in leven was, bleek in deze groepen respectievelijk 92,4%, 100,0%, 91,3% en 60,0%.
Niemann concludeerde dat een herbehandeling met een therapie gebaseerd op venetoclax haalbaar is bij CLL-patiënten zonder TP53-mutatie. “We zien een goede TFS2 van meer dan 80%”, zei hij. “Maar dit legt ook een unmet need bloot: er is nog geen goedkeuring voor venetoclax plus een BTK-remmer na behandeling met venetoclax plus een CD20 monoklonaal antilichaam. Tot slot is er duidelijk geen plaats voor CIT als tweedelijnsbehandeling voor CLL.”
Referentie
1. Niemann C, et al. Blood 2025;146(Suppl_1): abstr 795.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist