Na drie jaar is 83,4% van de patiënten met gerecidiveerd/refractair multipel myeloom die behandeld zijn met teclistamab plus daratumumab nog in leven en vrij van progressie, versus 29,7% van de patiënten in de controlegroep. Dit blijkt uit de resultaten van de MajesTEC-3-studie, die dr. Maria-Victoria Mateos (Salamanca, Spanje) presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting. “Dit is het grootste PFS-effect dat we tot nu toe bij deze patiëntengroep hebben gezien.”
In de gerandomiseerde fase 3-studie MajesTEC-3 zijn 587 patiënten met gerecidiveerd/refractair multipel myeloom (RRMM) 1:1 gerandomiseerd naar teclistamab plus daratumumab (tec-dara) of daratumumab gecombineerd met dexamethason en – naar keuze van de onderzoeker –pomalidomide (DPd) of bortezomib (DVd). Patiënten kwamen in aanmerking voor de studie als zij één tot drie eerdere behandellijnen hadden gehad. De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS). Maria-Victoria Mateos presenteerde de eerste geplande analyse van deze studie.1 “De studiepopulatie kwam goed overeen met de patiëntenpopulatie die we in de dagelijkse praktijk zien”, zei zij.
Complete respons bij 81,8%
Na een mediane follow-up van 34,5 maanden gaf tec-dara een significante verbetering van de PFS versus DPd/DVd (nog niet bereikt met tec-dara versus 18,1 maanden met DPd/DVd; HR 0,17; 95% BI 0,12-0,23; p<0,0001). Mateos: “Na drie jaar was 83,4% van de patiënten in de tec-dara-groep nog in leven en vrij van progressie versus 29,7% in de controlegroep. En na zes maanden zien we een plateaufase ontstaan, wat suggestief is voor een functionele genezing.” Deze betere PFS werd gezien in alle onderzochte subgroepen, ook in de subgroepen van patiënten met slechte prognostische kenmerken.
In totaal had 81,8% van de patiënten in de tec-daragroep een complete respons versus 32,1% van de patiënten in de controlegroep. De objectieve responspercentages waren respectievelijk 89,0 versus 75,3%. De mediane tijd tot respons was vergelijkbaar tussen beide studiegroepen, maar de mediane duur van de respons was significant langer met tec-dara, aldus Mateos.
Significant betere OS
Een van de secundaire uitkomstmaten betrof meetbare restziekte (MRD)-negativiteit. “In de intention-to-treatpopulatie behaalde 58,4% van de patiënten MRD-negativiteit (10-5) met tec-dara versus 17,1% van de patiënten met DPd/DVd. Ook de algehele overleving (OS) was significant beter met tec-dara dan met DPd/DVd (HR 0,46; 95% BI 0,32-0,65; p<0,0001). Na drie jaar was 83,3% van de patiënten in de tec-dara-groep nog in leven versus 65,0% van de patiënten in de controlegroep.
Neutropenie was de meest voorkomende hematologische bijwerking (graad 3 bij 75,6% in de tec-dara-groep en bij 78,6% in de controlegroep). Het cytokinereleasesyndroom (graad 1 en 2) trad op bij 60,1% van de patiënten in de tec-dara-groep; bij 1,1% van de patiënten was sprake van ICANS. “Het aantal patiënten dat moest stoppen wegens treatment-emergent adverse events was laag en vergelijkbaar in beide studiegroepen”, zei Mateos. Infecties kwamen in beide studiearmen veel voor: graad 3/4 bij 54,1% in de tec-dara-groep en bij 43,4% in de DPd/DVd-groep. “In de tec-dara-groep overleden dertien patiënten aan infecties, waarvan twaalf in de eerste zes maanden. Daarop is het behandelprotocol aangepast om zorg te dragen voor immunoglobulinesuppletie en infectieprofylaxe. Na deze aanpassingen nam het aantal infecties in de tec-dara-groep af en was dit vergelijkbaar met het aantal infecties in de controlegroep.”
Mateos concludeerde dat tec-dara een ongekende werkzaamheid laat zien bij RRMM. “We denken dat deze synergistische combinatie een nieuwe standaardbehandeling kan zijn voor RRMM-patiënten die minstens één eerdere behandeling hebben gehad, die zowel in academische als in perifere setting toegediend kan worden.” De resultaten van de MajesTEC-3-studie zijn gelijktijdig met de presentatie tijdens de ASH Annual Meeting gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.2
Referenties
1. Mateos MV, et al. Blood 2025;146(Suppl 2): abstr LBA-6.
2. Costa LJ, et al. N Engl J Med 2025; DOI: 10.1056/NEJMoa2514663.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar dr. Inger Nijhof, internist-hematoloog, St Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein
Tijdens de recente ASH Annual Meeting was er bijzonder veel aandacht voor klinische studies naar de uitkomst van bispecifieke antilichamen en chimere antigeenreceptor (CAR)-T-cellen bij patiënten met multipel myeloom. Zo onderzocht men in de fase 3-studie MajesTEC-3 (late breaking abstract) de uitkomst van teclistamab plus daratumumab (tec-dara) versus daratumumab, dexamethason en óf pomalidomide (DPd) óf bortezomib (DVd) bij patiënten met gerecidiveerd of refractair multipel myeloom (RRMM). Na drie jaar bleek dat tec-dara geassocieerd was met een progressievrije overleving (PFS) van 83,4% versus 29,7% met DPd/DVd (HR 0,17; 95% BI 0,12-0,23; p<0,0001), een zeer goed resultaat.1,2 Wat bovendien opviel was dat de PFS-curve van tec-dara al vanaf ongeveer anderhalf jaar vrij horizontaal liep en er dus bijna geen patiënten nog ziekteprogressie hadden of overleden. Daarnaast had 81,8% van de patiënten in de tec-daragroep een complete respons vergeleken met 32,1% van de patiënten in de DPd/DVd-groep. Zoals verwacht was tec-dara – net als DPd/DVd, maar meer – geassocieerd met een hoge incidentie van infecties, met name in de eerste zes maanden. Infecties van graad 3 of 4 kwamen voor bij 54,1% van de patiënten in de tec-daragroep en bij 43,4% van de patiënten in de DPd/DVd-groep. Uit ervaring weten we ondertussen dat we de incidentie van (ernstige) infecties kunnen verlagen met infectieprofylaxe, bijvoorbeeld met cotrimoxazol en valaciclovir, voorafgaand aan de therapie streven naar volledige vaccinatie en tijdens de behandeling ondersteuning bieden met immunoglobulinesuppletie.
In het EMD-cohort van de fase 2-RedirecTT-1-studie werden de werkzaamheid en veiligheid bepaald van de combinatie van teclistamab met talquetamab bij patiënten met RRMM en extramedullaire ziekte (n=90).3,4 Na twaalf maanden was de PFS 57,5%, een indrukwekkend resultaat bij deze hoog-risicopatiënten met RRMM en extramedullaire ziekte, die mediaan vier eerdere behandelingen hadden gehad. Het objectieve responspercentage was 79% en de algehele overleving na twaalf maanden 73,8%. De toxiciteit was beter hanteerbaar als het schema werd aangepast van een tweewekelijkse naar een vierwekelijkse toediening. Door deze aanpassing nam bijvoorbeeld de incidentie van infecties van graad 3 of hoger af van 32,2% naar 25,0%.
De EMN26 is een fase 2-studie naar onderhoudstherapie met 1,3 mg, 1,0 mg of 0,75 mg iberdomide bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom die ten minste een partiële respons hadden na autologe stamceltransplantatie. Uit de resultaten bleek dat een verbetering van de respons in de eerste zes maanden, de primaire uitkomstmaat, optrad bij 36% van de patiënten die werden behandeld met 1,3 mg iberdomide, bij 37% behandeld met 1,0 mg en bij 59% behandeld met 0,75 mg.5 Bij patiënten die bij aanvang van de behandeling nog meetbare restziekte (MRD) hadden, werd respectievelijk 53%, 42% en 60% MRD-negatief tijdens de onderhoudsbehandeling. De tweejaars-PFS was respectievelijk 85%, 82% en 92%. In de lopende fase 3-EXCALIBER-Maintenance-studie wordt onderhoudstherapie met iberdomide vergeleken met lenalidomide.
Een tweede presentatie uit de late breaking abstracts betrof een fase 1-studie naar de in-vivogeneratie van CAR-T-cellen met een op CD3 gerichte gentherapie bij uitgebreid behandelde patiënten met RRMM. Hoewel er ten tijde van de presentatie nog maar vier patiënten met deze off-the-shelf gentherapie waren behandeld en er nog veel parameters moeten worden onderzocht, zijn de procedure en resultaten zeer veelbelovend.6 Ten eerste is er voor deze behandeling geen lymfodepleterende chemotherapie nodig en bleek de in-vivo transductie-effectiviteit hoog: tot 83%. Bovendien hadden alle vier de patiënten na één maand een partiële respons op basis van het M-proteïneniveau, verder verdiepend over de tijd, en was hun beenmerg MRD-negatief een maand na behandeling.
Referenties
1. Mateos MV, et al. Blood 2025;146(Suppl 2): abstr LBA-6.
2. Costa LJ, et al. N Engl J Med 2025; DOI: 10.1056/NEJMoa2514663.
3. Usmani S, et al. Blood 2025:146(Suppl 1): abstr 698.
4. Kumar S, et al. N Engl J Med 2026;394:51-61.
5. Van de Donk NW, et al. Blood 2025;146(Suppl 1): abstr 101.
6. Ho PJ, et al. Blood 2025;146(Suppl 2): abstr LBA-1.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Inger Nijhof naast bovenstaande studies onder andere ook de IFM2021-01-studie, waarin de uitkomst wordt onderzocht van teclistamab plus daratumumab bij oudere patiënten met NDMM. Daarnaast deelt Nijhof haar toekomstverwachtingen met betrekking tot de behandeling van multipel myeloom in Nederland. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts