Het objectieve responspercentage (ORR) met de niet-covalente BTK-remmer pirtobrutinib is non-inferieur aan de ORR met de covalente BTK-remmer ibrutinib bij patiënten met chronische lymfatische leukemie/kleincellig lymfocytair lymfoom. Dit blijkt uit de resultaten van de BRUIN CLL-314-studie, waarvan Jennifer Woyach (Columbus, Verenigde Staten) de resultaten presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting. “We zagen tevens een trend naar een voordeel in progressievrije overleving met pirtobrutinib”, zei zij.
“De niet-covalente BTK-remmer pirtobrutinib is in eerste instantie ontworpen om resistentie tegen covalente BTK-remmers te overwinnen”, zei Jennifer Woyach. “Gezien de potente remming van BTK met pirtobrutinib en het gunstige veiligheidsprofiel van dit molecuul, was onze hypothese dat er wellicht een betere werkzaamheid en verdraagbaarheid zou zijn met pirtobrutinib versus covalente BTK-remmers.” In de gerandomiseerde fase 3-studie BRUIN-CLL-314 is deze hypothese onderzocht.1
In totaal werden 622 patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL) of kleincellig lymfocytair lymfoom (SLL) 1:1 gerandomiseerd naar pirtobrutinib of ibrutinib. Dit betrof zowel therapienaïeve patiënten als patiënten met refractaire of gerecidiveerde (R/R) ziekte die nog niet eerder met een BTK-remmer waren behandeld. “Het primaire doel van de studie was het aantonen van non-inferioriteit van de ORR met pirtobrutinib versus ibrutinib, zowel in de intention-to-treat (ITT)-populatie als in de R/R-populatie. Het belangrijkste secundaire doel was het aantonen van superioriteit van de PFS met pirtobrutinib in de ITT- en R/R-populaties. De analyses in de therapienaïeve populatie (n=225) waren exploratief van aard.
Afname risico van 76%
Woyach presenteerde de finale analyse van de ORR. “De studie behaalde zijn primaire doel”, zei ze. “De behandeling met pirtobrutinib was niet-inferieur aan ibrutinib wat betreft de ORR.” Pirtobrutinib liet een numeriek hogere ORR zien dan ibrutinib in de ITT-populatie (87,0 versus 78,5%), de therapienaïeve populatie (92,9 versus 85,8%) en de R/R-populatie (84,0 versus 74,8%). De interimanalyse van de PFS toonde een trend naar een betere PFS met pirtobrutinib in de ITT-populatie. “Het risico op progressie of overlijden nam met 43% af ten opzichte van ibrutinib (HR 0,57; 95% BI 0,39-0,83).” Na een mediane follow-up van ongeveer twintig maanden was het 18-maandse PFS-percentage 86,9% met pirtobrutinib versus 82,3% met ibrutinib. Ook in de R/R- en therapienaïeve populaties werd een trend naar een betere PFS gezien met pirtobrutinib. “In de therapienaïeve groep werd met pirtobrutinib een afname gezien in het risico op progressie of overlijden van 76% (HR 0,24; 95% BI 0,10-0,57).”
Lagere incidentie atriumfibrilleren
De behandeling met pirtobrutinib gaf minder hypertensie van alle graden dan met ibrutinib. Ook werden er minder dosisreducties gerapporteerd met pirtobrutinib en staakten minder patiënten de behandeling in de pirtobrutinibgroep. Bijwerkingen van speciale interesse waren voornamelijk laaggradig, aldus Woyach, en kwamen volgens haar overeen met wat gerapporteerd is in eerdere studies met pirtobrutinib. Neutropenie en anemie van graad 3 werden meer gezien met pirtobrutinib dan met ibrutinib, maar trombocytopenie weer minder. “De incidentie van atriumfibrilleren of flutteren was substantieel lager met pirtobrutinib”, zei Woyach.
Zij concludeerde dat pirtobrutinib non-inferieur was aan ibrutinib wat betreft de ORR en een trend naar een betere PFS liet zien in zowel de ITT-, therapienaïeve als R/R-populaties. De resultaten van de BRUIN CLL-314-studie zijn tijdens de ASH Annual Meeting tevens gepubliceerd in het Journal of Clinical Oncology.2
Referenties
1. Woyach J, et al. Blood 2025;145(Suppl_1); abstr 683.
2. Woyach J, et al. J Clin Oncol December 7, 2025. DOI: 10.1200/JCO-25-02477.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist