Starten met nilotinib in de eerste lijn resulteert in een vroegere diepe moleculaire respons en een hoger percentage behandelingsvrije remissie dan starten met imatinib, en is haalbaar voor alle patiënten met chronische myeloïde leukemie in de chronische fase. Uit de resultaten van de SUSTRENIM-studie, die dr. Fabrizio Pane (Napels, Italië) presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting, blijkt dat deze strategie vooral voordeel biedt voor patiënten met een lage ELTS-score.
Het bereiken van een diepe moleculaire respons (DMR) en behandelingsvrije remissie (TFR) is een belangrijk doel bij de behandeling van patiënten met chronische myeloïde leukemie in de chronische fase (CP-CML). Het is echter nog niet duidelijk met welke strategie dit doel het beste bereikt kan worden, met name bij oudere, niet-fitte patiënten bij wie off-target effecten van sterkere tweede-generatie-tyrosinekinaseremmers (2G-TKI’s) voor problemen kunnen zorgen.
SUSTRENIM-studie
In de internationale SUSTRENIM-studie, opgezet door GIMEMA en HOVON, werd gekeken naar de DMR en TFR bij twee verschillende strategieën: direct starten met de 2G-TKI nilotinib, of starten met imatinib gevolgd door een switch naar nilotinib bij onvoldoende respons.1 In totaal werden 450 patiënten met nieuw-gediagnosticeerde CP-CML 1:1 gerandomiseerd tussen starten met nilotinib of starten met imatinib. Patiënten die na vier jaar behandeling ten minste één jaar lang een moleculaire respons (≥MR4,0) vertoonden kwamen in aanmerking om te stoppen met de behandeling. De duale primaire uitkomstmaten waren het bereiken van DMR (MR4,5) na 24 maanden, en de TFR op twaalf maanden na stopzetting van de behandeling.
Vroeger DMR en vaker TFR met nilotinib
In de imatinib-groep switchte 26,4% van de patiënten in het eerste jaar naar nilotinib. Patiënten met een lage ELTS-risicoscore switchten minder vaak dan degenen met een intermediaire of hoge ELTS-score (14,2% versus 48,5% en 57,1%). In de nilotinib-groep bereikten meer patiënten na 24 maanden DMR (MR4,5) dan in de imatinib-groep (29% versus 19%, p=0,01). Na 48 maanden was dit verschil verdwenen.
In beide groepen kwamen ongeveer evenveel patiënten in aanmerking voor het ingaan van TFR (34,8% met imatinib, 32,5% met nilotinib). Van de 150 patiënten die TFR bereikten, bleef 65% na twaalf en achttien maanden nog steeds in TFR. “Er was echter een statistisch significant verschil tussen beide armen: na twaalf maanden was 75,0% in TFR in de nilotinib-arm versus 55% in de imatinib-arm (p=0,02)”, zei Fabrizio Pane. Binnen de imatinib-groep was er geen significant verschil in TFR tussen patiënten die wel of niet waren geswitcht naar nilotinib (na twaalf maanden: 57,9% versus 54,4%, respectievelijk).
Meer voordeel bij lage ELTS-score
Bij patiënten met een lage ELTS-score was het verschil in TFR tussen de nilotinib- en imatinib-arm nog duidelijker (na twaalf maanden: 84% versus 59%; p=0,004). “Bij patiënten met een intermediaire of hoge ELTS-score vonden we geen verschil in TFR tussen beide armen.”
Er was geen groot verschil in bijwerkingen tussen beide armen van de studie. Vasculaire en cardiale bijwerkingen kwamen vaker voor met nilotinib, of na switchen naar nilotinib, dan met imatinib, maar waren zelden van graad 4.
“Eerstelijnsbehandeling met een 2G-TKI is haalbaar en effectiever in het bereiken van een vroege DMR dan imatinib. Patiënten met een lage ELTS-score lijken meer te profiteren, onafhankelijk van leeftijd, geslacht of andere kenmerken. Voor patiënten met een intermediaire of hoge ELTS-score is het mogelijk veiliger om te beginnen met imatinib en direct over te stappen op nilotinib bij een niet-optimale respons”, aldus Pane.
Referentie
1. Breccia M, et al. Blood 2025;146(Suppl 1): abstr 905.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist