Uit de resultaten van de prospectieve BIG-1-studie blijkt dat inductiebehandeling met cytarabine plus idarubicine vergeleken met cytarabine plus daunorubicine geassocieerd is met een vergelijkbare werkzaamheid, maar meer toxiciteit bij fitte patiënten met acute myeloïde leukemie. Deze resultaten werden tijdens de 67e ASH Annual Meeting gepresenteerd door prof. dr. Christian Récher (Toulouse, Frankrijk).
Intensieve chemotherapie met cytarabine plus een antracycline, doorgaans daunorubicine, is al enkele decennia de standaard inductiebehandeling bij fitte patiënten met nieuw-gediagnosticeerde acute myeloïde leukemie (AML). De resultaten van enkele klinische studies lieten echter zien dat inductiebehandeling met de antracycline idarubicine vergeleken met daunorubicine geassocieerd was met een groter percentage patiënten met een complete respons.1,2,3
In de prospectieve BIG-1-studie werden patiënten van 18 tot 60 jaar met nieuw-gediagnosticeerde AML toegewezen aan inductiebehandeling met cytarabine in combinatie met idarubicine of daunorubicine. De algehele overleving (OS) was de primaire uitkomstmaat.
Vergelijkbare werkzaamheid
Uit de resultaten bleek dat het percentage patiënten in complete remissie met of zonder compleet hematologisch herstel (CR/CRi) in beide groepen vergelijkbaar was: 82% in de idarubicinegroep en 85% in de daunorubicinegroep (HR 0,92; 95% BI 0,81-1,04).4 Bij patiënten met een gunstig risico was het CR/CRi-percentage 98% in de idarubicinegroep versus 97% in de daunorubicinegroep. Bij patiënten met een intermediair risico was dit 84 versus 87% en bij patiënten met een ongunstig risico 68 versus 76%.
“Tussen beide groepen was er geen significant verschil in OS (aangepaste HR 1,034; 95% BI 0,871-1,226; p=0,705). Na negen jaar was de OS ongeveer 50% in beide groepen. Ook was er tussen beide groepen geen significant verschil in de eventvrije overleving en de recidiefvrije overleving”, vertelde Christian Récher.
Verschil in toxiciteit
“De ernst van de chemotherapie-geïnduceerde myelosuppressie en de incidentie van bijwerkingen waren lager in de daunorubicinegroep dan in de idarubicinegroep. Zo duurden de trombocytopenie en neutropenie significant korter in de daunorubicinegroep en was rodebloedceltransfusie in deze groep minder vaak nodig (p-waarde respectievelijk 0,0028, 0,0131 en 0,0421). Daarnaast duurde de antibioticabehandelingen korter in de daunorubicinegroep (p=0,0192) en kwamen schimmelinfecties minder vaak voor (p=0,0029). Tussen beide groepen was er geen significant verschil in de incidentie van cardiale toxiciteit van graad 3 of 4”, aldus Récher.
Referenties
1. Pautas C, et al. J Clin Oncol 2010;28:808-14.
2. Gardin C, et al. J Clin Oncol 2013;31:321-7.
3. Récher C, et al. Leukemia 2014;28:440-3.
4. Récher C, et al. Blood 2025;146(suppl_1): abstr 43.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer