Bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerde chronische lymfatische leukemie is de progressievrije overleving met een eenjarige behandeling met venetoclax plus obinutuzumab of venetoclax plus ibrutinib niet inferieur aan continue behandeling met ibrutinib. Daarnaast was de toxiciteit van de drie behandelingen over het algemeen vergelijkbaar. Deze resultaten van de fase 3-CLL17-studie werden tijdens de Plenaire Wetenschappelijke Sessie van de 67e ASH Annual Meeting gepresenteerd door dr. Othman Al-Sawaf (Keulen, Duitsland).
Bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerde chronische lymfatische leukemie (CLL) zijn er twee prominente behandelstrategieën: continue behandeling met een BTK-remmer tot aan progressie of ondraaglijke toxiciteit en combinatiebehandeling voor een vaste duur – meestal een jaar – met een BCL2-remmer en óf een CD20-antilichaam óf een BTK-remmer.
In de onderzoeker-geïnitieerde, driearmige, gerandomiseerde fase 3-CLL17-studie werden deze verschillende opties met elkaar vergeleken. “Hiertoe werden patiënten met nieuw-gediagnosticeerde CLL toegewezen aan continue monotherapie met ibrutinib (I) tot aan progressie dan wel combinatiebehandeling met venetoclax plus obinutuzumab (VO) of venetoclax plus ibrutinib (VI), voor ongeveer een jaar. Het primaire doel was om de non-inferioriteit in progressievrije overleving (PFS) te onderzoeken van beide kortdurende combinatiebehandelingen versus de langdurige monotherapie met ibrutinib”, aldus Othman Al-Sawaf.
Veiligheidsprofielen
Al-Sawaf vertelde dat de toxiciteit van de drie behandelingen over het algemeen vergelijkbaar was.1 “Wel kwamen cytopenieën vaker voor met de combinatietherapieën. Zo kwam neutropenie voor bij 52,5% van de patiënten in de VO-arm, bij 36,3% van de patiënten in de VI-arm en bij 16,4% van de patiënten in de I-arm. Atriumfibrilleren kwam vooral voor in de ibrutinib-bevattende armen: bij 3,7% van de patiënten in de VO-arm, bij 12,5% van de patiënten in de VI-arm en bij 16,8% van de patiënten in de I-arm. Infecties werden in alle studiearmen zeer vaak gerapporteerd, namelijk bij ongeveer 80% van de patiënten. Dit betrof bij ongeveer de helft van de gevallen infecties met SARS-CoV-2. Infecties van graad 3 of hoger werden vaker geconstateerd in de VO-arm dan in de twee andere armen.”
Niet inferieur
Het objectieve responspercentage was vergelijkbaar in de drie armen: 84,2% in de VO-arm, 88,5% in de VI-arm en 86% in de I-arm. Het percentage patiënten met een complete respons was echter aanzienlijk hoger in de combinatiearmen: 51,5% in de VO-arm, 46,2% in de VI-arm versus 8,3% in de I-arm. Al-Sawaf: “Het percentage patiënten zonder meetbare restziekte (flowcytometrie bij een drempelwaarde van 10-4) in het perifere bloed en beenmerg was het hoogst in de VO-arm (respectievelijk 73,3 en 62,0%), iets lager in de VI-arm (47,2 en 40,0%) en 0% in de I-arm. Na drie jaar was de PFS 81,1% met VO, 79,4% met VI en 81,0% met ibrutinib-monotherapie. Waar in de VI- en I-arm de PFS vooral werd bepaald door gevallen van progressieve ziekte, waren de gevallen van progressie en overlijden in de VO-arm vrijwel in balans. Uit een vergelijking van de PFS in de VO- versus de I-arm (HR 0,87; type I-fout aangepaste BI (98,3%): 0,54-1,41) en de VI- versus de I-arm (HR 0,84; 98,0% BI: 0,53-1,32) bleek dat beide kortdurende combinatiebehandelingen inderdaad niet inferieur waren aan de langdurige monotherapie met ibrutinib.” Na drie jaar was de algehele overleving 91,5% met VO, 96,0% met VI en 95,7% met ibrutinib-monotherapie.
Referentie
1. Al-Sawaf O, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 1.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1