Bij patiënten met double-hit nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom is inductietherapie met isatuximab, bortezomib, lenalidomide, dexamethason en cyclofosfamide (Isa-VRDc) gevolgd door autologe stamceltransplantatie, consolidatietherapie met Isa-VRD en onderhoudsbehandeling met Isa-R geassocieerd met een veelbelovende werkzaamheid en een progressievrije overleving die beter is dan in een gematcht historisch controlecohort. Deze resultaten van de prospectieve RADAR-studie werden tijdens de 67e ASH Annual Meeting gepresenteerd door dr. Karthik Ramasamy (Oxford, Verenigd Koninkrijk).
Volgens de recentelijk gepubliceerde criteria van de International Myeloma Society en de International Myeloma Working Group wordt ongeveer 30% van de patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom (NDMM) gedefinieerd als patiënten met een hoog risico.1 De meerderheid van deze patiënten heeft minimaal twee hoog-risico cytogenetische afwijkingen (double-hit), wat geassocieerd is met een zeer slechte prognose.
In het fase 2-deel van de RADAR-studie wordt de uitkomst onderzocht van inductietherapie met isatuximab, bortezomib, lenalidomide, dexamethason en cyclofosfamide (Isa-VRDc) gevolgd door een enkele autologe stamceltransplantatie, consolidatietherapie met Isa-VRD en onderhoudsbehandeling met Isa-R bij patiënten met double-hit NDMM. De primaire uitkomstmaat is de progressievrije overleving (PFS) na achttien maanden.
Goede werkzaamheid
Uit de resultaten bleek dat in het double-hitcohort (n=70) de PFS na achttien maanden 88,1% was, waarmee de nulhypothese (achttien-maanden-PFS <81,7%) werd verworpen.2 Uit een vergelijking met een gematcht historisch controlecohort (Myeloma XI) bleek dat de PFS in RADAR significant beter was dan in het controlecohort (mediane PFS niet bereikt in RADAR versus 20 maanden in Myeloma XI; p<0,001).
“Aan het einde van de inductiebehandeling had 82,9% van de patiënten minimaal een zeer goede partiële respons. Zes maanden na de consolidatie- en onderhoudsbehandeling was dit 96,2%. Het percentage patiënten zonder detecteerbare restziekte (drempelwaarde: 10-5) liep op van 26,2% aan het einde van de inductiebehandeling tot 59,5% twaalf maanden na de consolidatie- en onderhoudsbehandeling”, vertelde Karthik Ramasamy.
Toxiciteit
De meest voorkomende bijwerkingen waren vermoeidheid (68,12%), diarree (66,67%), pijn (63,77%) en neutropenie (52,17%). In totaal had 84,1% van de 69 patiënten in de veiligheidspopulatie bijwerkingen van graad 3 of 4. De frequentste graad 3- of 4-bijwerkingen waren neutropenie (39,13%), infectie (18,84%), anemie (11,59%) en een verminderd aantal trombocyten (11,59%). Ernstige bijwerkingen kwamen voor bij 68,1% van de patiënten. Twee patiënten overleden door een infectie en vijf patiënten door progressieve ziekte.
Referenties
1. Avet-Loiseau H, et al. J Clin Oncol 2025;43:2739-51.
2. Ramasamy K, et al. Blood 2025;146(suppl_1): abstr 98.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer