De eerste resultaten van de gerandomiseerde fase 3-GIMEMA ALL2820-studie laten zien dat eerstelijnsbehandeling met ponatinib plus blinatumomab vergeleken met imatinib plus chemotherapie geassocieerd is met een betere werkzaamheid, waaronder een hoger percentage complete hematologische responsen. Daarnaast had de behandeling met ponatinib en blinatumomab minder ernstige bijwerkingen, bleek tijdens de 67e ASH Annual Meeting uit de presentatie van dr. Sabina Chiaretti (Rome, Italië).
Door de introductie van tyrosinekinaseremmers en blinatumomab verbeterde de uitkomst van de eerstelijnsbehandeling bij patiënten met Philadelphia-chromosoom-positieve (Ph+) acute lymfatische leukemie (ALL).1 In de gerandomiseerde fase 3-GIMEMA ALL2820-studie worden de werkzaamheid en veiligheid onderzocht van ponatinib plus blinatumomab versus imatinib plus chemotherapie bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerde, Ph+ ALL.
Betere werkzaamheid
De eerste resultaten van de GIMEMA ALL2820-studie lieten zien dat aan het einde van de inductiebehandeling ponatinib plus blinatumomab geassocieerd was met een complete hematologische respons bij 94,3% van de patiënten, vergeleken met 79,4% bij behandeling met imatinib plus chemotherapie.2 Aan het einde van de inductiebehandeling had 46,8% van de patiënten in de ponatinib/blinatumomab-arm een moleculaire respons, vergeleken met 43,6% van de patiënten in de imatinib/chemotherapie-arm. Van de patiënten in de ponatinib/blinatumomab- en imatinib/chemotherapie-arm had respectievelijk 6 en 8% een recidief. “Na een mediane follow-up van 23,4 maanden was de eventvrije overleving 90% in de ponatinib/blinatumomab-arm en 74% in de imatinib/chemotherapie-arm. Voor de algehele overleving was dit respectievelijk 94 en 77%”, vertelde Sabina Chiaretti.
Minder ernstige bijwerkingen
Bijwerkingen kwamen voor bij 68,9% van de patiënten in de ponatinib/blinatumomab-arm en bij 67,9% van de patiënten in de imatinib/chemotherapie-arm. In de ponatinib/blinatumomab-arm kwamen levertoxiciteit, infecties en hematologische bijwerkingen het vaakst voor. Bijwerkingen van graad 3 of hoger werden gerapporteerd bij 53,8 van de patiënten in de ponatinib/blinatumomab-arm en bij 56,4% van de patiënten in de imatinib/chemotherapie-arm. Ernstige bijwerkingen werden gerapporteerd bij respectievelijk 27,5 en 50,0% van de patiënten.
Referenties
1. Foà R. N Engl J Med 2025;392:1941-52.
2. Chiaretti S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 439.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar dr. Anita Rijneveld, internist-hematoloog, Erasmus MC, Rotterdam
De GIMEMA ALL2820-studie is een belangrijke studie voor de registratie van een chemotherapievrije behandeling met ponatinib plus blinatumomab in de eerste lijn bij Philadelphia-chromosoom-positieve acute lymfatische leukemie (Ph+ ALL).1 Deze combinatie werd vergeleken met imatinib plus chemotherapie, wat ook in Nederland de standaard is in de eerste lijn. Na de inductietherapie werden in de blinatumomab-arm meer diepere responsen gezien, resulterend in een significant betere eventvrije en algehele overleving versus de chemotherapiearm. Het verschil was indrukwekkend, ondanks dat er cross-over mogelijk was vanuit de standaardarm. Ongeveer 30% van de patiënten in de chemotherapiearm kreeg uiteindelijk toch blinatumomab en 62% van hen bereikte daarop meetbare-restziekte (MRD)-negativiteit. In deze studie was 30% van de patiënten ouder dan 65 jaar, en juist bij ouderen zie je veel toxiciteit en overlijdens ten gevolge van chemotherapie. Dat was in deze studie ook duidelijk verminderd. Als langere follow-up van deze studie deze resultaten bevestigt hopen we ook in Nederland een chemotherapievrije behandeling in de eerste lijn te kunnen geven aan patiënten met Ph+ ALL.
In een andere studie werd inotuzumab ozogamicine gevolgd door blinatumomab onderzocht in de eerste lijn bij oudere, Ph-negatieve patiënten met ALL.2 De dosis inotuzumab ozogamicine was cumulatief lager dan in andere studies, waardoor de toxiciteit heel erg meeviel. Bij de op de ASH Annual Meeting getoonde langere follow-up van 45 maanden was de driejaarsoverleving 60% en ontstaat er een plateau. Daarmee zijn we op de goede weg, maar het is nog niet voldoende om de klassieke chemotherapie volledig te vervangen.
CAR-T-celtherapie als consolidatiebehandeling in de eerste lijn heeft als voordelen een veel kortere totale behandelduur, het bereiken van een diepere remissie en wellicht het voorkomen van zowel een allogene stamceltransplantatie als van extramedullaire recidieven. Meerdere studies presenteerden resultaten met CAR-T-celtherapie als consolidatie in de eerste lijn na het bereiken van complete remissie.3,4 Dat blijkt zeer effectief te zijn: bijna 100% van de patiënten werd MRD-negatief. Bovendien is de toxiciteit (CRS en ICANS) minimaal. Deze studies laten zien dat CAR-T-celtherapie veilig gegeven kan worden en een diepe respons geeft. Maar de follow-up is in al deze studies nog niet langer dan een jaar, dus er kan nog niets gezegd worden over de responsduur. De volgende stap zal zijn om deze behandeling te vergelijken met allogene stamceltransplantatie. Al met al veel nieuws op het ASH-congres met nieuwe aanpakken die veelbelovend zijn.
Referenties
1. Chiaretti S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 439.
2. Wieduwilt M, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 444.
3. Aldoss I, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 443.
4. Gu R, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 442.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Anita Rijneveld naast bovenstaande studies ook de effecten van uitgestelde behandeling in de E1910-studie, de ontwikkeling van subcutaan blinatumomab en een nieuwe studie bij T-ALL. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu