Een behandelschema met inotuzumab ozogamicine en blinatumomab, zonder traditionele chemotherapie, zorgt voor langdurige remissies en een goede eventvrije en algehele overleving bij ouderen met Philadelphia-chromosoom-negatieve B-cel acute lymfatische leukemie. Bovendien was de non-recidiefmortaliteit laag, blijkt uit de langere follow-up van de A041703-studie, die dr. Matthew Wieduwilt (Winston-Salem, Verenigde Staten) presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting.
Bij oudere patiënten met B-cel acute lymfatische leukemie (B-ALL) zijn de uitkomsten met traditionele chemotherapie onbevredigend, vooral vanwege de hoge non-recidiefmortaliteit (NRM). Doelgerichte therapieën zijn bij hen mogelijk effectiever en minder toxisch. Zowel inotuzumab ozogamicine (InO), een anti-CD22-antilichaam-geneesmiddelconjugaat, als blinatumomab (blina), een CD3/CD19-bispecifiek antilichaam, is effectief gebleken bij patiënten met gerecidiveerde of refractaire B-ALL.
A041703
In de A041703-studie werd een behandelschema zonder traditionele chemotherapie geëvalueerd, waarbij inductietherapie met InO gevolgd werd door consolidatietherapie met blina. In deze studie werden 33 ouderen geïncludeerd met Philadelphia-chromosoom(Ph)-negatieve, CD22-positieve B-ALL. De mediane leeftijd was 71 jaar, 52% van de patiënten was ouder dan 70 jaar. Bij de eerste interimanalyse was de éénjaars eventvrije overleving (EFS) 75%, waarmee de primaire uitkomst van de studie werd behaald. De responspercentages waren hoog: na de eerste cyclus InO vertoonde 85% van de patiënten een complete remissie (CR) of CR met incompleet hematologisch herstel, na consolidatietherapie met blina was dit gestegen tot 96%. Matthew Wieduwilt presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting de resultaten na een mediane follow-up van 45 maanden.1
Plateau bereikt
“De driejaars-EFS was 48%, en we zien dat de EFS-curve een plateau heeft bereikt. Na ongeveer tweeënhalf jaar zijn er geen events meer geweest”, zei Wieduwilt. De mediane EFS was 31 maanden. Twaalf patiënten ontwikkelden een recidief, drie overleden door NRM (één gerelateerd aan de behandeling, één gerelateerd aan stamceltransplantatie, één door gerecidiveerd myeloom) en één patiënt overleed tijdens de inductiefase. De algehele overleving (OS) na drie jaar was 59%. Ook de OS-curve bereikte een plateau, en de mediane OS werd niet bereikt.
Twee factoren bleken van invloed te zijn op de EFS. Patiënten met een hoge CD22-expressie (≥90%) hadden een significant betere EFS dan degenen met een lagere CD22-expressie (driejaars-EFS 60% versus 25%; p=0,044). Ook patiënten die na één cyclus InO negatief waren voor meetbare restziekte (MRD) hadden een betere EFS dan degenen die MRD-positief waren (driejaars-EFS 51% versus 0%; p=0,004).
Lage NRM
“Als we deze benadering, zonder conventionele chemotherapie, vergelijken met andere studies bij ouderen met Ph-negatief B-ALL waarin InO werd gecombineerd met chemotherapie, zien we zeer vergelijkbare EFS- en OS-uitkomsten”, zei Wieduwilt. De NRM na drie jaar was 9%, lager dan in de andere studies.
“Bij een langere follow-up lijken de remissies en overleving duurzaam te zijn. Een gerandomiseerde studie is nodig om te bepalen welk voordeel, als dat er al is, de toevoeging van chemotherapie aan InO en blina oplevert.”
Referentie
1. Wieduwilt MJ, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 444.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar dr. Anita Rijneveld, internist-hematoloog, Erasmus MC, Rotterdam
De GIMEMA ALL2820-studie is een belangrijke studie voor de registratie van een chemotherapievrije behandeling met ponatinib plus blinatumomab in de eerste lijn bij Philadelphia-chromosoom-positieve acute lymfatische leukemie (Ph+ ALL).1 Deze combinatie werd vergeleken met imatinib plus chemotherapie, wat ook in Nederland de standaard is in de eerste lijn. Na de inductietherapie werden in de blinatumomab-arm meer diepere responsen gezien, resulterend in een significant betere eventvrije en algehele overleving versus de chemotherapiearm. Het verschil was indrukwekkend, ondanks dat er cross-over mogelijk was vanuit de standaardarm. Ongeveer 30% van de patiënten in de chemotherapiearm kreeg uiteindelijk toch blinatumomab en 62% van hen bereikte daarop meetbare-restziekte (MRD)-negativiteit. In deze studie was 30% van de patiënten ouder dan 65 jaar, en juist bij ouderen zie je veel toxiciteit en overlijdens ten gevolge van chemotherapie. Dat was in deze studie ook duidelijk verminderd. Als langere follow-up van deze studie deze resultaten bevestigt hopen we ook in Nederland een chemotherapievrije behandeling in de eerste lijn te kunnen geven aan patiënten met Ph+ ALL.
In een andere studie werd inotuzumab ozogamicine gevolgd door blinatumomab onderzocht in de eerste lijn bij oudere, Ph-negatieve patiënten met ALL.2 De dosis inotuzumab ozogamicine was cumulatief lager dan in andere studies, waardoor de toxiciteit heel erg meeviel. Bij de op de ASH Annual Meeting getoonde langere follow-up van 45 maanden was de driejaarsoverleving 60% en ontstaat er een plateau. Daarmee zijn we op de goede weg, maar het is nog niet voldoende om de klassieke chemotherapie volledig te vervangen.
CAR-T-celtherapie als consolidatiebehandeling in de eerste lijn heeft als voordelen een veel kortere totale behandelduur, het bereiken van een diepere remissie en wellicht het voorkomen van zowel een allogene stamceltransplantatie als van extramedullaire recidieven. Meerdere studies presenteerden resultaten met CAR-T-celtherapie als consolidatie in de eerste lijn na het bereiken van complete remissie.3,4 Dat blijkt zeer effectief te zijn: bijna 100% van de patiënten werd MRD-negatief. Bovendien is de toxiciteit (CRS en ICANS) minimaal. Deze studies laten zien dat CAR-T-celtherapie veilig gegeven kan worden en een diepe respons geeft. Maar de follow-up is in al deze studies nog niet langer dan een jaar, dus er kan nog niets gezegd worden over de responsduur. De volgende stap zal zijn om deze behandeling te vergelijken met allogene stamceltransplantatie. Al met al veel nieuws op het ASH-congres met nieuwe aanpakken die veelbelovend zijn.
Referenties
1. Chiaretti S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 439.
2. Wieduwilt M, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 444.
3. Aldoss I, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 443.
4. Gu R, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 442.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Anita Rijneveld naast bovenstaande studies ook de effecten van uitgestelde behandeling in de E1910-studie, de ontwikkeling van subcutaan blinatumomab en een nieuwe studie bij T-ALL. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu