Uit de resultaten van de COBRA-studie blijkt dat een inductiebehandeling met carfilzomib plus lenalidomide en dexamethason leidt tot een betere progressievrije overleving dan bortezomib plus lenalidomide en dexamethason bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom. Ook behaalden meer patiënten een complete respons met afwezigheid van meetbare restziekte met het regime met carfilzomib, zei dr. Dominik Dytfeld (Poznan, Polen), die deze resultaten tijdens de 67e ASH Annual Meeting presenteerde.
“We geven patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom (NDMM) al jaren een inductiebehandeling met bortezomib plus lenalidomide en dexamethason (VRd)”, zei Dominik Dytfeld. En hoewel hij aangaf dat een behandeling met carfilzomib plus lenalidomide en dexamethason (KRd) werkzaam is bij NDMM, stonden er volgens hem nog een paar vragen open: wat is de rol van KRd versus VRd bij patiënten met hoog-risico cytogenetische kenmerken en bij patiënten die in aanmerking komen voor een transplantatie? In de gerandomiseerde, open-label fase 3-COBRA-studie is dit ondergezocht.1 In deze studie werd een behandeling met KRd vergeleken met VRd bij NDMM-patiënten ongeacht hun cytogenetische risicoprofiel en ongeacht of zij wel of niet in aanmerking kwamen voor transplantatie.
Co-primaire uitkomstmaten
In deze studie zijn 250 patiënten 1:1 gerandomiseerd naar een inductiebehandeling met KRd gedurende 24 cycli gevolgd door lenalidomide tot progressie of onacceptabele toxiciteit, of VRd gedurende acht cycli, gevolgd door Rd gedurende achttien cycli en lenalidomide tot progressie of onacceptabele toxiciteit. De co-primaire uitkomstmaten waren progressievrije overleving (PFS) en meetbare restziekte (MRD)-negativiteit na twaalf maanden. MRD-negativiteit was gedefinieerd als een complete respons (CR) plus MRD-negativiteit met een drempelwaarde van 10-5. Secundaire uitkomstmaten waren de algehele overleving (OS), het objectieve responspercentage (ORR) en de veiligheid. In totaal kwam 59% van de geïncludeerde patiënten in aanmerking voor een transplantatie en ongeveer een kwart had een cytogenetisch hoog-risicoprofiel.
Mediane PFS nog niet behaald
“Na een mediane follow-up van 53 maanden verminderde KRd het risico op overlijden of progressie in de intention-to-treat (ITT)-populatie met 43% versus VRd”, zei Dytfeld (HR 0,57; 95% BI 0,37-0,88; p=0,0095). De mediane PFS was nog niet behaald met KRd en 48,8 maanden met VRd. Ook werd er een voordeel van KRd gezien bij de populatie met een standaard risico, aldus Dytfeld (HR 0,59; 95% BI 0,36-0,98; p=0,04). De mediane PFS was in die groep nog niet behaald met KRd en 48,8 maanden met VRd. In de hoog-risicopopulatie was de PFS eveneens niet behaald met KRd en 34,9 maanden met VRd (HR 0,52; 95% BI 0,22-1,22; p=0,12). Ook in de groep patiënten die in aanmerking kwamen voor transplantatie was de mediane PFS nog niet behaald met KRd. Deze was 40,1 maanden met VRd (HR 0,40; 95% BI 0,21-0,75; p=0,003). “In de groep patiënten die níet in aanmerking kwamen voor een transplantatie zagen we geen verschil tussen beide studiegroepen (HR 1,06; 95% BI 0,21-0,75; p=0,87).”
Significant meer complete responsen
In de ITT-populatie was 31,0% van de patiënten in de KRd-groep en 17,7% in de VRd-groep MRD-negatief. “We zagen geen verschil tussen beide groepen in ORR (94,4% met KRd en 91,1% met VRd)”, zei Dytfeld, “maar het percentage patiënten met een CR was significant hoger in de KRd-groep (70,6%) dan in de VRd-groep (53,2%).” De OS was niet verschillend, maar de follow-up loopt nog. De toxiciteitsprofielen van beide regimes waren als verwacht, met meer neutropenie en cardiale voorvallen, maar minder neuropathie met KRd. “Deze resultaten van de COBRA-studie ondersteunen verder onderzoek naar KRd als inductiebehandeling bij NDMM”, concludeerde Dytfeld.
Referentie
1. Dytfeld C, et al. Blood 2025;145(suppl_1): abstr 99.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist