Een toediening van azacitidine gedurende vijf dagen gaf in een multivariate analyse een betere eventvrije overleving dan toediening gedurende drie dagen of toediening van decitabine gedurende drie dagen bij patiënten met lager-risico myelodysplastisch syndroom. “Alle onderzochte doseringsschema’s leken even effectief in het opwekken van een respons”, zei dr. Ian Bouligny (Houston, Verenigde Staten) tijdens de 67e ASH Annual Meeting.
De huidige eerstelijnsbehandelingen voor patiënten met lager-risico myelodysplastisch syndroom (MDS) zijn luspatercept, imetelstat en erytrocytstimulerende middelen. “Daarvoor werden hypomethylerende middelen ingezet bij deze patiënten”, zei Ian Bouligny. De toediening van decitabine gedurende vijf dagen en azacitidine gedurende zeven dagen zoals toegepast bij hoger-risico-MDS, geeft echter flinke myelosuppressie bij patiënten met een lager risico. “Om beter inzicht te krijgen in de optimale doseringsschema’s van de hypomethylerende middelen, voerden we een gerandomiseerde fase 2-studie uit waarin we de toediening van decitabine gedurende drie dagen, azacitidine gedurende drie dagen en gedurende vijf dagen onderzochten bij patiënten met lager-risico-MDS.”1
Niet-significant voordeel
In totaal werden 247 patiënten gerandomiseerd. Zij werden ingedeeld naar een transfusieafhankelijk en transfusieonafhankelijk cohort. Patiënten in het transfusieafhankelijke cohort werden gerandomiseerd naar drie dagen decitabine (n=60), drie dagen azacitidine (n=33) en vijf dagen azacitidine (n=56). Patiënten in het transfusieonafhankelijke cohort werden gerandomiseerd naar drie dagen decitabine (n=20), drie dagen azacitidine (n=29), vijf dagen azacitidine (n=35) en best supportive care (BSC, n=8). De primaire uitkomstmaat was de eventvrije overleving (EFS).
De resultaten lieten zien dat er geen verschil was tussen de verschillende regimes bij transfusieafhankelijke patiënten. “Daarnaast lijkt de EFS niet-significant in het voordeel van vijf dagen azacitidine bij transfusieonafhankelijke patiënten”, zei Bouligny. In een multivariate analyse, waarin gecorrigeerd werd voor leeftijd, performance status, ziekteclassificatie, ziekterisico en mutaties en waarbij vijf dagen azacitidine als referentie was gesteld, bleek de EFS significant slechter met drie dagen azacitidine bij transfusieafhankelijke patiënten. Bij transfusieonafhankelijke patiënten was de EFS in de multivariate analyse significant slechter met drie dagen decitabine, drie dagen azacitidine en BCS versus vijf dagen azacitidine. “Dit alles betekent dat vijf dagen azacitidine de beste EFS gaf na correctie voor baseline covariaten”, aldus Bouligny.
Nieuwe fase 3-studies
Na een mediane follow-up van vijfenhalf jaar was de algehele overleving (OS) in het voordeel van vijf dagen azacitidine bij transfusieonafhankelijke patiënten. Ook hier bleek dat – na correctie voor baseline covariaten – vijf dagen azacitidine het meest consistent leidde tot een OS-voordeel. Er was geen significant verschil in objectief responspercentage tussen de verschillende behandelcohorten, zo liet Bouligny zien. Ook was er geen significant verschil tussen de drie regimes in het transfusieafhankelijke cohort wat betreft het aantal patiënten dat transfusieonafhankelijk werd.
De veiligheidsresultaten lieten zien dat de 30-dagenmortaliteit bij transfusieafhankelijke patiënten 2% was met drie dagen decitabine, 3% met drie dagen azacitidine en 0% met vijf dagen azacitidine. Geen van de transfusieonafhankelijke patiënten overleed binnen dertig of zestig dagen. In het totale cohort was drie dagen decitabine geassocieerd met significant meer trombocytopenie van graad 3 of hoger dan drie of vijf dagen azacitidine.
Bouligny zei tot slot: “Het duurde tien jaar voordat deze studie kon worden afgerond. In de tussentijd werden middelen als luspatercept en imetelstat goedgekeurd voor de behandeling van lager-risico-MDS. Nieuwe fase 3-studies zijn nodig om de rol van vijf dagen azacitidine te bepalen in de context van deze nieuwe middelen in het veranderende behandellandschap bij MDS.”
Referentie
1. Bouligny I, et al. Blood 2025;145(suppl_1): abstr 487.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist